Alle blogs

Zevenentwintigste blog – Wat is in?

Onze dochter praat inmiddels nog net niet als een volwassene. Maar het leek me toch leuk om nog met terugwerkende kracht iets te schrijven over een van haar taalontwikkelingen. Het gaat over voorzetsels. Oftewel: voor, op, uit, in, achter. Met name die laatste twee waren bij onze dochter lange tijd favoriet. 

‘Achter’ gebruikte ze zowel wanneer ze ‘achter’ als ‘voor’ of ‘naast’ bedoelde. Ze kon bijvoorbeeld zeggen dat ze in de auto achter mij zat. Maar ze kon net zo goed zeggen dat ik achter haar zat, terwijl ik dan toch echt voorin zat. Of wanneer ze de trap op liep, zei ze: ‘ik ga eerst, ik ga achter jou’. Maar het duurde niet heel lang voor ze in de gaten had wat het verschil was, dus al vrij snel had zie die voorzetsels onder de knie.

Het woord ‘in’ was iets hardnekkiger. Een hele tijd zei ze dingen als ‘ik ga in opa en oma’, ‘papa is in werk’ of ‘ik ben in de opvang weest’. Die eerste twee voorbeelden zijn echt niet goed, maar bij de laatste is het twijfelachtig. De opvang is ten slotte een gebouw, dus het is niet gek om te zeggen dat je daar ín bent geweest.

En wat ook lastig uit te leggen is, is dat bij ‘binnen’ en ‘buiten’ geen voorzetsels nodig zijn omdat dat van zichzelf al voorzetsels zijn. Ze zei vaak dat we ‘in buiten’ waren of dat iemand ‘in binnen’ was. Het is best ingewikkeld om dan te zeggen dat ‘in binnen’ niet goed is, terwijl het wel ‘in huis’ of ‘in de keuken’ is. Wanneer ben je eigenlijk ‘in’ iets? Als iets dicht kan? Een kamer of kast of auto? Maar je kunt ook zeggen dat je in bed ligt. Gaat het er dan om dat je omringd wordt door de dekens? En hoe zit het met een openluchtzwembad?

Die laatste van het zwembad vind ik ook interessant. Vaak zeggen we dat we ‘naar’ iets zijn geweest. Maar als ik daar langer over nadenk vind ik dat ook niet heel logisch. Als je bijvoorbeeld zegt dat je naar het zwembad bent geweest, is het duidelijk dat je daar naartoe bent gefietst of gereden. Maar als het goed is ben je er ook naar binnen geweest om te zwemmen. Dus zou het net zo goed kloppen om te zeggen dat je ‘in het zwembad’ bent geweest. Maar het is niet gebruikelijk om dat zo te zeggen. Ook als je zegt dat je ‘naar opa en oma’ bent geweest. Dan zou het in theorie volgens mij ook kunnen dat ze niet thuis waren en dat je weer terug bent gereden. Dus ik vind het wel origineel van onze meid dat ze zei ‘ik ben in opa en oma geweest’.

Zesentwintigste blog – Papegaaitje

Ik heb ooit eens geschreven dat ik verwachtte inspiratie te krijgen wanneer onze dochter zou beginnen met praten. Dat is nu al een bijna een jaar het geval, maar ik wist nog niet precies hóe ik daar iets over wou schrijven. Alleen een opsomming van alle woordjes leek me niet zo interessant. Onlangs gebeurde er een paar keer iets grappigs waarvan het me wel leuk leek om daar iets over te zeggen. Ze praat mij namelijk vaak na, maar heeft dan niet goed door waarom het niet logisch is als zíj dat tegen míj zegt. 

Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer we ergens lopen en zij blijft ergens treuzelen. Ik vraag dan ‘ga je mee?’. Maar laatst was het zo dat zij een paar meter achter me stilstond en toen zei ze ‘ga je mee?’ waarna ze naar me toe kwam dribbelen. Ze associeert de uitspraak dus wel met iets als ‘doorlopen’, maar ze heeft nog niet door dat het grappig is als ze dat aan mij of aan zichzelf vraagt.

Datzelfde gebeurde toen ze mij een stukje van haar koekje gaf. ‘Koekje is mama’ zei ze, waarop ik reageerde met ‘ah dat is lief’. De rest van de dag kreeg ik hapjes eten van haar, waarbij ze zei ‘is mama’ en dan ‘ah lief’. Op zich niet fout natuurlijk, want het ís ook lief. Dat deed ze ook met een ander complimentje. Toen we in de auto zaten zei ze al aan het begin van de straat ‘daar is de opvang!’. Toen zei ik ‘ja klopt’, waarop zij reageerde met ‘goed gezien’. Ik vind het eigenlijk wel iets moois hebben om het ook gewoon tegen jezelf te zeggen als je iets goeds of liefs gedaan hebt. Ik denk dat het best leuk kan uitpakken als wij dat als volwassenen ook gaan doen. ‘Alsjeblieft, hier zijn de notulen. Dat heb ik snel gedaan.’

Iets anders dat ze lange tijd andersom heeft gedaan is ‘dankjewel’ zeggen. Ze zei dat vaak als ze iets aan mij gaf. Niet zo gek natuurlijk, want ze heeft altijd gehoord dat ik ‘dankjewel’ zei als ik iets van haar aanpakte. En die rolverdeling van gever en ontvanger had nog niemand haar uitgelegd. Dat geldt ook voor het verschil tussen ‘jou’ en ‘mij’. Ze weet dondersgoed te zeggen wanneer iets van haar is. ‘Is mij!’. Maar als je dan vraagt: ‘is dat van jou?’ reageert ze met ‘nee, mij’. Zij hoort dan natuurlijk twee verschillende woorden. En ze zal wel denken: als iets van mij is kan het niet ook van jou zijn. 

Dit lijkt me meteen een verklaring waarom zoveel ouders over zichzelf gaan praten in de derde persoon. Dan is er gelijk geen verwarring meer mogelijk. ‘Is deze voor mama?’ ‘Kom je bij mama op schoot?’ Ondanks dat ik het vrij stom vind klinken, maak ik me er zelf ook schuldig aan. Maar als ik mezelf erop betrap verbeter ik het wel snel. Anders duurt het alleen maar langer voordat ze snapt dat ‘ik’ ook een ‘ik’ ben en dat ‘van jou’ voor haar ‘van mij’ betekent. Ik ben benieuwd op welke leeftijd ze deze laatste zin goed begrijpt.

IMG_2015

Vijfentwintigste blog – Eerste keer

Je zou denken dat de titel misschien slaat op het feit dat dit de eerste keer in tijden is dat ik weer eens een blog schrijf. Daar gaat het niet over. Al is dat natuurlijk wel het geval. Ik raak simpelweg ontmoedigd doordat er inmiddels zo ontzettend veel leuke boeken, columns en podcasts zijn die over taal gaan. Alles wat ik bedenk is al wel een keer gezegd, door een interessanter iemand en op een leukere manier. Toch ga ik proberen om me daar niet meer zoveel van aan te trekken. Dus vandaar dat ik vandaag de draad weer oppak. Met een blog over het woord ‘eerste’. 

Dit woord is me opgevallen sinds we een kind hebben. Zowel tijdens mijn zwangerschap als daarna kreeg en krijg ik wel eens de vraag ‘is het je eerste?’. Dat lijkt toch een beetje alsof een kind altijd onderdeel van een reeks moet zijn. Sterker nog, dat is ook de uitleg die bij het woord hoort. ‘Eerste’ is een rangtelwoord en de definitie daarvan is volgens Onze Taal ‘… geven de rangorde in een reeks aan.’ Je zegt dus niet ‘eerste’ als er maar één van iets is. 

Ik vind de vraag daarom niet zo logisch en eigenlijk ook niet zo netjes. Het doet een beetje denken dat één niet genoeg is. Dat er meer verwacht wordt. Als iemand een huis heeft gekocht vraag je toch ook niet ‘is het je eerste?’. Tenzij je prins Bernhard Junior bent misschien. Ik snap natuurlijk wel dat mensen de vraag niet verkeerd bedoelen. Maar zelf zou ik het op een andere manier vragen. Bijvoorbeeld: ‘ben je al eerder zwanger geweest?’. Of ‘heb je ook andere kinderen?’. 

Overigens zag ik het taalfenomeen laatst ook in een heel andere context, namelijk in een nieuwsbericht op social media. Op Instagram gebruikte NU.nl de kop: ‘Eerste dode door storm Ciarán in Nederland’. Daar vond ik het nog wat pijnlijker dan in mijn voorbeeld hierboven. Naar mijn idee lijkt het op deze manier alsof ze er nog veel meer verwachten. Aan de reacties op Instagram te zien was ik niet de enige die zich hierover verbaasde. Iemand reageerde met ‘alsof we een primeur hebben’. En dat is precies hoe het op mij ook overkomt. Niet zo gepast.

Als je inderdaad hoopt op meer van iets, kun je het natuurlijk wel prima op die manier zeggen. Bijvoorbeeld ‘eerste overwinning voor Ajax in de eredivisie’. Dan hoop je dat het de eerste van een reeks overwinningen zal zijn. Maar in situaties waarbij het oké is als de eerste ook de laatste is, is het misschien handig om het anders te verwoorden.

img_8781

Vierentwintigste blog – Mijn moedertaal

Het is al even geleden dat ik een blog heb geschreven. De afgelopen maanden had ik geen tijd / zin / inspiratie om blogs te schrijven. Er is in de tussentijd veel gebeurd, en een van de gebeurtenissen is dat ik moeder ben geworden. Ik vermoed dat het met de bloginspiratie wel weer goed zit vanaf het moment dat onze dochter met haar eerste woordjes begint. Maar ook nu merk ik al dat ze mij inspiratie geeft. Niet door wat zij zegt, maar door hoe ik tegen haar praat.

Dat ik met een raar hoog stemmetje tegen haar zou praten had ik al wel verwacht. Dat is nou eenmaal een gegeven als je tegen baby’s (en ook dieren) praat. Blijkbaar vinden mijn hersenen het raar om mijn gewone volwassen stem te gebruiken als ik tegen haar praat. Dus praat ik ineens een octaaf hoger. Nou, vooruit, dat zal wel weer een keer ophouden als ze terug gaat praten. 

Wat ik niet wist is dat ik hele onzinnige dingen tegen haar zou zeggen. Helemaal als je bedenkt dat ze nog niet terug kan praten. Wat ik namelijk ontzettend veel doe is aan haar vragen of het klopt wat ik denk te zien wat ze aan het doen is. Dat klinkt vrij cryptisch, maar dat ziet er zo uit: ‘ben jij met je vlinder aan het spelen?’ ‘lig jij even in de box?’  ‘ben jij je handjes aan het bestuderen?’. 

Het is al een vreemd gegeven om vragen te stellen aan iemand die toch niet kan antwoorden. Maar het is nog vreemder dat ik vraag of ze iets aan het doen is, terwijl ik duidelijk zelf kan vaststellen dat ze dat aan het doen is. Voor zover ik weet doe ik dat nooit bij volwassenen. Ik denk ook dat Gijsbert raar opkijkt als ik hem ineens vraag ‘ben jij aan het ontbijten?’ terwijl hij ’s ochtends op zijn boterham zit te kauwen. 

Ik kan twee redenen verzinnen waarom ik zo praat. 1. Omdat ik niet goed weet wat ik anders moet zeggen. Ze begrijpt ten slotte nog weinig tot niets. Als ik dan iets benoem wat ze zelf doet, komt dat nog het dichtst in de buurt van een gespreksonderwerp dat we beide zouden kunnen kennen. Of 2. Omdat ik onder de indruk ben van alles wat ze doet. Ik verwonder me over elke nieuwe beweging die ze maakt dus ik denk waarschijnlijk bij alles ‘Wow, doet ze dat nu echt?’. En dan voelt het misschien logisch om dat even bij haar te checken. 

Ook hier zal ik wel een keer mee ophouden als ze terug gaat praten. Voor je het weet krijg ik een ‘Jahaa dat zie je toch!’ naar mijn hoofd. 

img_4236-1

Drieëntwintigste blog – Geen actieve herinnering

We moeten het er toch even over hebben. De uitspraak van Rutte: ‘ik heb er geen actieve herinneringen aan.’ Wat zijn dat voor herinneringen? Passieve herinneringen? En zijn er meer activiteiten die je er de schuld van kunt geven dat ze niet actief zijn? 

Herinneringen heb je of heb je niet dacht ik. Kun je ze ook hebben, en weten dat je ze hebt, zonder dat ze het “doen”? Ik weet het niet. Maar het is natuurlijk wel slim geformuleerd. Op die manier geef je gewoon de herinnering de schuld in plaats van jezelf. Waneer je zegt ‘ik kan het me niet herinneren’ lijkt het alsof dat aan jou ligt. Als je zegt ‘ik heb er geen actieve herinneringen aan’ heb je de herinnering wel, maar is ie “stuk”. Hè, stomme herinnering. 

Wel makkelijk om iets op zo’n manier te zeggen dat je automatisch iets anders dan jezelf de schuld geeft. Het lijkt erop dat je dat kunt doen met alle werkwoorden waar je ook een zelfstandig naamwoord van kunt maken. 

‘Wij leveren binnen 10 werkdagen’ ‘Maar het is geen actieve levering.’

‘Je zei dat ik een beloning zou krijgen’ ‘Ja, maar geen actieve beloning.’

Eitje dus. Je zet er gewoon voor dat het om een niet-actieve variant gaat en niemand kan je meer iets maken. Al lijkt het met sommige woorden toch niet helemaal te lukken.

‘Ben je niet moe van het wandelen?’ ‘Nee, het was geen actieve wandeling.’

‘Heb je nog spierpijn van het trainen?’ ‘Nee, het was geen actieve training.’

In die gevallen lijkt het toch wel alsof je er zelf wat meer invloed op had. Waarschijnlijk omdat ‘wandelen’ en ‘trainen’ werkwoorden zijn die we automatisch al associëren met iets actiefs. Dus dan lijkt het toch sneller je eigen schuld als je dat niet actief uitvoert. Dat geldt in mijn ogen niet voor herinneren. 

Dus is iets jou per ongeluk niet gelukt en gaat het om een werkwoord waar je een zelfstandig naamwoord van kunt maken? Dan kun je gewoon voor dat zelfstandig naamwoord zetten dat het ‘niet actief’ is. Ik zal het nog een keer illustreren:

‘Ilse, heb jij de afgelopen maanden helemaal geen blogs geplaatst?’ ‘Jawel hoor,  maar het was geen actieve plaatsing.’

img_9123

Tweeëntwintigste blog – Afko d.w.i.n.a.m.

Er zijn veel mensen die graag afkortingen gebruiken. Zelf houd ik er niet zo van. Net als dat ik niet van bijnamen houd. Misschien juist omdat ik niet van afkortingen houd, dat het me meer opvalt hoe vaak ze gebruikt worden. Niet alleen op mijn werk, maar ook in het dagelijks leven.

Toen ik net begon te werken waar ik nu werk, hoorde ik meteen al bekende afkortingen uit mijn studententijd. En niet uit de tijd van het stappen, maar van verslagen en scripties maken. Termen als ‘PVA’ (plan van aanpak) en ‘StaVaZa’ (stand van zaken). (Dat hoofdlettergebruik heb ik er zelf maar bij verzonnen om nog een beetje aan te geven dat het uit losse worden bestaat.) Ik snap dat het iets minder typwerk is om alleen de eerste letters (of eerste twee of eerste drie) van een woord te gebruiken. Maar om zulke lange en ingewikkelde woorden gaat het in dit geval helemaal niet. Dus ik zie er niet zoveel meerwaarde in om toch al korte woorden nog korter te maken.

Een ander woord dat ik vreselijk vind is ‘prio’. Bijvoorbeeld in een zin als ‘we moeten even kijken wat prio heeft.’ Als je het woord ‘prioriteit’ te lang vindt, zeg dan gewoon ‘voorrang’. Dat heeft net zoveel lettergrepen als ‘prio’. En als je wel graag het duurdere woord ‘prioriteit’ wil gebruiken, gebruik ‘m dan ook helemaal. Het woord betekent nota bene dat iets voorrang heeft en dus belangrijk is. En dan vinden we het woord zelf nog niet eens belangrijk genoeg om volop uit te spreken? Dat is in mijn ogen een beetje tegenstrijdig. Alsof we het woord ‘volledigheid’ ook zouden afkorten naar ‘volledi’.

En dan zijn er nog de standaard afkortingen die je ook leert op school. ‘O.a.’ voor onder andere. ‘Bijv.’ voor bijvoorbeeld. In een Whatsapp-bericht snap ik dat dat makkelijk kan zijn. (Al ben ik er zelf geen ster in om steeds te switchen tussen letters en leestekens.) Maar ik heb een collega die er een sport van maakt om in zijn mail ook zoveel mogelijk van deze afkortingen te zetten. Hij mailde mij laatst zelfs een zin met meer afkortingen dan uitgeschreven woorden: ‘E.e.a. i.o. Klantanalyse i.v.m. rapportages etc.?’ Dat vond ik bijna knap! Ik was er bij die collega nog niet achter of hij echt een meerwaarde ziet in afkortingen of dat hij het voor de grap doet. Maar na zijn laatste mail neig ik er toch naar dat het sarcasme is. Ik mailde hem een reactie op zijn vraag en zijn reactie was ‘D.I.O.! (Dik in orde! 😊)’. Vooruit, dat kan ik dan wel weer waarderen. 

Maar niet alleen mijn collega’s zijn er gek op. Ook in de media kom ik steeds vaker afkortingen tegen. Het klapstuk van de afgelopen tijd is toch wel de afkorting ‘persco’. Zit je in een pandemie, houdt de minister-president een serieuze persconferentie over het wel of niet invoeren van een avondklok, degraderen wij dat tot een ‘persco’. Dat klinkt bijna gezellig. Als een drankje. Een baco voor meneer en een persco voor mevrouw. 

Naar mijn idee wordt de betekenis van een woord kleiner en minder belangrijk als we een woord afkorten. Dus laten we dat voor serieuze en belangrijke woorden maar niet doen. Anders blijven we bezig. Dan hebben we het binnenkort over een ‘relscho’ (relschopper), een ‘akb’ (avondklokboete) of een ‘vacci’ (vaccinatie). D.w.i.n.a.m. (Daar werk ik niet aan mee).

P.s. Ik maak één uitzondering als het om afkortingen / bijnamen gaat. Ik noem mijn vriend Gijsbert 99,9% van de tijd Gijs.

img_5358-1

Eenentwintigste blog – Je moet gewoon …

Ik had het laatst met een vriendin over dingen die we niet konden. En dan bedoelden we niet Chinees praten, maar van die activiteiten die sommige mensen kunnen omdat ze nou eenmaal met een bepaalde motoriek geboren zijn. Bijvoorbeeld knipogen, scheel kijken, met je ene hand iets anders doen dan je andere etc. We kwamen er toen op dat de mensen die zoiets wel kunnen vaak geneigd zijn om je op een vervelende manier te helpen. Namelijk door de tip te geven ‘je moet gewoon … ’.

‘Gewoon’ geeft aan dat iets normaal is. Dus niet afwijkend of heel bijzonder. Als iemand dus zegt ‘je moet gewoon’, zegt diegene daarmee eigenlijk dat het helemaal niet zo bijzonder is wat hij noemt. Wat jou het gevoel kan geven dat jij juist wél afwijkend bent als je dat wat diegene noemt nou juist met geen mogelijkheid voor elkaar krijgt. 

‘Je moet gewoon je voet ontspannen’, ‘je moet gewoon niet denken aan wat je met je linkerhand’ doet, ‘je moet gewoon je vingers tegen je tong duwen en niet te hard blazen’. (Jullie mogen zelf bedenken welke leerdoelen bij deze instructies horen). Ik geloof best dat het klopt dat je de actie die genoemd wordt moet doen om het doel te bereiken. Je hebt alleen vaak geen flauw hóe je dat dan moet doen. Laat staan hoe je dat ‘gewoon’ moet doen. 

Ik heb twee redenen bedacht waarom iemand het woordje ‘gewoon’ in zijn advies stopt: 

1. Om te benadrukken dat het inderdaad niet bijzonder is wat je moet doen. Dan wil iemand met ‘gewoon’ misschien aangeven dat ook jíj (als incapabele) het kunt. Maar in mijn ogen werkt dat vaak averechts. Want als jij na tig keer nog steeds niet voor elkaar krijgt wat je ‘gewoon’ zou moeten kunnen, voel je je alleen maar méér incapabel. Mede door dat woordje. 

Of 2. Simpelweg omdat diegene niet weet hoe hij de instructie beter kan geven. Als iemand de tip wil geven dat je je voet moet ontspannen, maar hij kan niet uitleggen hóe je dat doet, kiest ie er maar voor om te zeggen dat het ‘gewoon’ moet. Grote kans dat je op de vraag ‘Hoe moet ik dat dan doen?’ ook krijgt te horen ‘Ja, gewoon …je moet ‘m gewoon ontspannen’. Dit zegt dus vooral iets over degene die de instructie geeft. Die moet ‘gewoon’ betere uitleg geven. 

Twintigste blog – Een coronablog over coronawoorden

Het coronavirus brengt ons veel. Veel ellende, veel verandering, veel initiatieven, maar vooral ook: veel nieuwe woorden. Of eigenlijk nieuwe samenstellingen van woorden. Je neemt een bestaand woord, je zet er corona voor en het heeft ineens een andere betekenis.

Het begint natuurlijk met een paar woorden die te maken hebben met de situatie. Woorden als coronavirus, corona-uitbraak, coronapatiënten of coronadoden, daar kijkt niemand van op. Die woorden heb je nodig om een bepaalde situatie te beschrijven. 

De andere samengestelde woorden die ontstaan zijn vaak niet per se nodig. Die ontstaan meer uit gemakzucht. Op mijn werk hebben we veel te maken met communicatie rondom corona. In de brieven, e-mails of websiteteksten die wij schrijven staat tegenwoordig altijd wel een stukje tekst over het virus. Op mijn werk is het dan ook al de normaalste zaak van de wereld dat je zegt dat je met een coronatekst bezig bent. Sterker nog, de tekstschrijvers heten bij ons normaal contentexperts. Maar de tekstschrijvers die zich veel met coronateksten bezig houden noemen we inmiddels corona-experts. (En nee, het zijn geen virologen)

Op websites waar het veel over corona gaat zie je nu ook bijna standaard corona-update staan wanneer ze weer een nieuwtje hebben toegevoegd. En het snelst ingeburgerde woord in de Nederlandse taal is denk ik wel corona-app. Op 7 april geïntroduceerd en nu, zes dagen later, al niet meer uit onze taal weg te denken. Het valt me mee dat ze er niet nog iets cools van hebben geprobeerd te maken. Iets als coronagram. 

Ook uit krantenkoppen zijn de coronawoorden niet meer weg te slaan. 

In de Volkskrant (10-04-2020) staat in koeienletters het woord coronadoorverwijzing. In de ondertitel staat vervolgens wat ze er eigenlijk mee bedoelen: ‘..het doorverwijzen van zorgpersoneel voor een test op het coronavirus.’ Dan is coronadoorverwijzing inderdaad een stuk korter. 

In de Gelderlander (11-04-2020) gaat het over een corona-brandhaard. Misschien waren ze zat van het woord epicentrum. Of misschien wilden ze het extra spannend laten lijken, waar het woord ‘zombiefilm’ natuurlijk ook voor een groot deel aan bijdraagt.

Op de website van Omroep Gelderland (11-04-2020) staat in de titel het woord corona-praatje. Prachtig woord natuurlijk, maar wat bedoelen ze er eigenlijk mee? Direct onder de titel staat de uitleg: ‘Een hulpverlener van de gemeente Culemborg die zich bezighield met de strijd tegen het coronavirus is vrijdagmiddag mishandeld. Dat gebeurde toen de medewerker een praatje wilde maken met een man die geparkeerd stond.’ 

Juist. Er staat nergens in het hele artikel dat het praatje ook over het onderwerp corona is gegaan. Het gaat dus om een gewoon praatje. Maar omdat de man die een praatje wilde maken zich wel bezighield met de strijd tegen het coronavirus vonden ze het wel passend om er corona-praatje van te maken. Mooi om te zien hoe (onnodig) creatief mensen worden in deze tijden. 

Wel jammer dat de nieuwe coronawoorden vaak niet goed worden geschreven. Het is natuurlijk ook lastig om van een nieuw verzonnen woord te bepalen hoe je dat eigenlijk goed schrijft. Maar in het geval van de coronawoorden gaat het altijd om een samenstelling. Op de website van OnzeTaal staat: ‘..een basisregel van de Nederlandse spelling is dat je samenstellingen aan elkaar moet schrijven.’ Daar is wel een uitzondering op: ‘Bij onder meer klinkerbotsing is een streepje verplicht.’ 

Woorden als coronavirus, coronabrandhaard of coronapraatje mogen dus allemaal gewoon aan elkaar geschreven worden. Pas als het problemen oplevert voor de leesbaarheid, bijvoorbeeld door een klinkerbotsing, is een streepje nodig. Vandaar dat corona-app of corona-update wel met streepje geschreven worden. Verder kunnen we in het Nederlands woorden aan elkaar plakken zoveel we maar willen. Een woord als coronaviruspatiëntenaantal zou dus gewoon mogen.

Tot slot nog even het coronawoord waarvan ik vermoed dat het nog wel eens het woord van 2020 zou kunnen worden. Coronadiploma. Arie Slob, Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, is er voorstander van om dit woord niet meer te gebruiken. Maar het ligt nu eenmaal erg lekker in de mond. Van een eindexamenfeest met drankcoma, naar thuiszitten met je coronadiploma. Schrijnend. 

Negentiende blog – Als zinsconstructie zijnde is dit fout

Als taalpurist zijnde wil ik graag even van mijn blog gebruikmaken om iets te benadrukken. Namelijk dat de formulering ‘als…zijnde’ niet goed is. Ik heb het idee dat deze formulering steeds vaker gebruikt wordt. Maar dit is weer een prachtig voorbeeld van een contaminatie.

Ik hoorde de formulering eens op tv voorbij komen. Ik weet niet meer in welk programma en wat de formulering precies was, maar ik dacht: is dat niet dubbel? Hierna ben ik erop gaan letten en toen leek het ineens alsof steeds meer mensen dit gingen gebruiken. Ook in geschreven citaten zie ik het voorbij komen: 

Schermafbeelding 2020-02-10 om 11.24.47Bron: de Orkaan

Grappig aan dit citaat is dat de spreker het hier eerst fout doet en in de laatste zin alsnog goed. Hij begint namelijk met ‘Als CDA zijnde…’. Dat kan niet. Het is óf ‘Als CDA baat ons dit grote zorgen…’ óf ‘CDA zijnde baat ons dit grote zorgen…’. Als je het allebei gebruikt is dat dubbel. In de laatste zin doet de spreker het dus wel goed, want hier zegt hij ‘Daarom zijn wij als CDA Zaanstad van mening dat …’.  

Ik vermoed dat mensen graag ‘zijnde’ willen gebruiken omdat het mooi of misschien zelfs slim klinkt. Maar blijkbaar hebben ze het idee dat er iets ontbreekt als ze alleen het woord ‘zijnde’ gebruiken, dus gooien ze er ook maar ‘als’ voor. Jammer, want hierdoor gaan ze een beetje de mist in in hun poging slim te klinken. 

Dat gebeurt ook vaak met het woord ‘echter’. Ik heb veel scripties nagekeken en daarin komt het gebruik van ‘echter’ regelmatig voor. Waarschijnlijk om te voorkomen dat de scriptie vol komt te staan met ‘maar’ of om het taalgebruik wat wetenschappelijker over te laten komen. Er is niks mis met het woord ‘ echter’, maar het is helaas wel zo dat het negen van de tien keer verkeerd wordt gebruikt. 

In veel scripties staat dan een formulering als: ‘Echter blijkt uit dit onderzoek niet dat …’. Dit is niet goed. Je kunt kiezen uit twee manieren wanneer je ‘echter’ wil gebruiken. Namelijk óf ‘Echter, uit dit onderzoek blijkt niet dat …’ óf ‘Uit dit onderzoek blijkt echter niet dat …’. Als je het op deze juiste manier gebruikt kan ‘echter’ af en toe een prima synoniem zijn voor ‘maar’. 

Wat je in ieder geval niet moet doen is het woord ‘echter’ samen gebruiken met ‘maar’. Ik heb het voorbij zien komen, een zin als: ‘Maar ik ben er echter van overtuigd dat …’. Dat is natuurlijk hartstikke dubbel, en net zo fout als de constructie ‘als…zijnde’. 

Maar ik ben er als neerlandica zijnde echter van overtuigd dat het sowieso beter is als iedereen gewoon kiest voor normale en begrijpelijke taal. Liever makkelijk maar foutloos dan professioneel/wetenschappelijk maar incorrect. 

IMG_6195

Achttiende blog – Van harte gecondoleerd

Toen ik laatst op een verjaardagskaartje ‘gefeliciteerd’ schreef, dacht ik ineens: wat schrijf ik nou eigenlijk. Het is zo standaard om te zeggen of op te schrijven wanneer iemand iets te vieren heeft. Maar het ziet eruit als een voltooid deelwoord, dus kan dat woord eigenlijk wel losstaand gebruikt worden?

‘Gefeliciteerd’ is het voltooid deelwoord van ‘feliciteren’. Dus: ‘hij feliciteert’, ‘hij feliciteerde’ en ‘hij heeft gefeliciteerd’. Maar we zeggen niet ‘ik heb je gefeliciteerd’ of ‘je bent gefeliciteerd’. We zeggen gewoon heel kortaf alleen het woord ‘gefeliciteerd’. Al zeggen we er in sommige gevallen nog wel achteraan waarmee we iemand feliciteren.

Iemand kan bijvoorbeeld tegen je zeggen ‘gefeliciteerd met je promotie’ of ‘gefeliciteerd met je verjaardag’. Alsof diegene wil bewijzen dat ie echt alle goede informatie heeft. Terwijl je er toch vanuit kunt gaan dat als iemand weet dát ie je moet feliciteren, dat ie ook wel weet waarom. Tenzij er meerdere redenen zijn om iemand te feliciteren natuurlijk. Dan kun je wel even duidelijk maken om welke reden(en) jij iemand precies feliciteert. ‘Gefeliciteerd met je zwangerschap en met de verjaardag van je goudvis.’ Daarnaast zetten we soms ook nog ‘van harte’ voor een felicitatie. Om te laten zien dat we het echt menen. Of omdat ‘gefeliciteerd’ anders zo kortaf lijkt.

Een zelfde soort woord is ‘gecondoleerd’. Dat is het voltooid deelwoord van ‘condoleren’. Dus: ‘zij condoleert’, ’zij condoleerde’ en ‘zij heeft gecondoleerd’. We zeggen alleen niet ‘ik heb je gecondoleerd’ of ‘je bent gecondoleerd’. En anders dan bij ‘gefeliciteerd’ zeggen we ook niet ‘van harte gecondoleerd’. Op de website van Onze Taal staat dat hier objectief gezien niets mis mee is, maar ik zou me er zelf niet snel aan wagen.

Een derde voorbeeld van een voltooid deelwoord dat we zonder problemen losstaand gebruiken is ‘bedankt’. Hierbij hebben we natuurlijk ook de variant waarbij we er iets achter plaatsen ‘bedankt voor de bloemen’. En ook hier kunnen we laten weten dat we het menen door ‘hartelijk bedankt’ te zeggen. Het verschil met de voorgaande twee voltooid deelwoorden is dat er hier wel een andere vorm bestaat, waarin het woord echt als voltooid deelwoord gebruikt wordt. Namelijk ‘je wordt bedankt’. Maar dit heeft dan weer een andere betekenis.

*In de online Van Dale staat er bij de woorden gefeliciteerd en gecondoleerd wel bij dat het naast voltooid deelwoorden ook tussenwerpels zijn. Dus we gebruiken ze heus niet verkeerd, maar voor dit verhaaltje was het leuker om de focus te leggen op het woord als voltooid deelwoord.

IMG_4830_18

Zeventiende blog – Iemand voor het mafje houden

Zoals gezegd is het hoog tijd voor het bespreken van een paar mooie Nederlandse spreekwoorden en gezegden. Ik heb in een kringloopwinkel eens het stokoude boek van Dr. F. A. Stoett gekocht waarin hij meer dan 1800 spreekwoorden en gezegden uitlegt. Het bijzondere is dat we ze grotendeels nog steeds gebruiken. Al gebruiken we nu soms wel een modernere variant. 

Een van de leukere uitdrukkingen vind ik ‘iemand voor het lapje houden’. Eigenlijk zie ik dan altijd voor me dat je met een lapje stof voor iemands gezicht staat te wapperen. Dat slaat natuurlijk nergens op want dan zou het spreekwoord wel zijn ‘het lapje voor iemand houden’, maar er zijn wel meer spreekwoorden waar ik niet direct logica in zie. 

Gelukkig kwam ik er door het boek achter dat het helemaal niet gaat om een lapje stof. In dit spreekwoord is lapje een verkleinwoord van lap, wat vroeger de betekenis ‘dom, traag mens’ had. Eigenlijk is het dus ‘ iemand voor het domme mensje houden’. Leuk om te weten. En wat ik nog veel leuker vond om te lezen is dat in de 17e eeuw nog een synoniem voor lap bestond, namelijk maf. Dit werd als zelfstandig naamwoord gebruikt en betekende dan ‘een gek’. In de 18e en 19e eeuw bestond daarom ook de uitdrukking ‘iemand voor het mafje houden’. Ik ben er groot voorstander van om die weer in het leven te roepen.

Toch lijkt de uitdrukking ‘iemand voor het lapje houden’ net als ‘iemand voor het mafje houden’ ook al bijna verdwenen. Tegenwoordig hebben we hierop al de moderne variant ‘iemand voor de gek houden’. En wie weet spreken we over een paar jaar van ‘iemand voor de parg houden’. (Parg staat uitgelegd als ‘sukkel / domkop’ in het straatwoordenboek.)

Naast de uitleg van verschillende spreekwoorden en gezegden staat in mijn Grote Boek ook hoe de uitdrukking er in het Engels, Duits of Frans uitziet. Jullie kennen vast het voorbeeld van ‘het regent pijpenstelen’ wat in het Engels ‘it’s raining cats and dogs’ is. En zo zijn er een heleboel uitdrukkingen die er in landen vlakbij Nederland toch net iets anders uitzien. ‘Over koetjes en kalfjes praten’ is in het Frans bijvoorbeeld ‘parler de la pluie et du beau temps’ oftewel, ‘over regen en mooi weer praten’. ‘Appels met peren vergelijken’ is in het Engels ‘comparing apples to oranges’. En ‘zich de kaas niet van het brood laten eten’ is in het Duits ‘sich nicht die Butter vom Brot nehmen lassen’. 

Ik vind het jammer dat het in het boek alleen voorbeelden uit het Engels, Duits en Frans staan. Ik ben namelijk heel benieuwd of ‘zich de kaas niet van het brood laten eten’ in het Italiaans iets zou zijn als ‘zich de pesto niet van de spaghetti laten eten’. En misschien zeggen ze voor ‘je moet een gegeven paard niet in de bek kijken’ in het Midden-Oosten wel ‘je moet een gegeven kameel niet in de bek kijken’.

Uitdrukkingen kunnen dus wel verschillen per taal. Maar binnen een taal zijn de meeste spreekwoorden en gezegden grotendeels nog hetzelfde als honderden jaren geleden. Als ze al veranderen gaat het vaak om een enkel verouderd woordje dat wijzigt. Maar verder is de vorm en betekenis van een uitdrukking behoorlijk stabiel. 

Toch vraag ik me af hoe lang dat nog zo zal blijven. Ik heb al meerdere mensen zonder blikken of blozen (ook een mooie uitdrukking) horen zeggen ‘ik kan er geen peil aan vastknopen’. En laatst had iemand het over ‘uit de losse mouw schudden’. Daar lijkt het toch een beetje mis te gaan. Misschien dat we met z’n allen wel steeds minder vaak spreekwoorden en gezegden gebruiken, waardoor het lastiger wordt om te bedenken hoe de uitdrukking ook alweer in elkaar zat. Maar vooruit, ik zal geen spijkers op laag water zoeken. 

zeventiende blog

Zestiende blog – Oei

Een collega(atje) wees mij er laatst op dat de verleden tijd van ‘waaien’ oorspronkelijk de sterke vervoeging ‘woei’ is. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat niet wist. Maar het zette me wel aan het denken over waarom we die vorm -naar mijn mening- minder gebruiken dan de zwakke vervoeging ‘waaide’. Mijn vermoeden is dat dat komt omdat het niet bepaald in het rijtje past met de werkwoorden die lijken op waaien. Lees meer.

In het Nederlands hebben we nogal een aantal sterke werkwoorden. Dit zijn werkwoorden waarbij in de verleden tijd de klinker verandert. Bijvoorbeeld:

Lopen – liep – gelopen

Denken – dacht – gedacht

Helpen – hielp – geholpen

We kennen er ruim vijftienhonderd in de Nederlandse taal. Ook weer een mooi voorbeeld van waarom het zo moeilijk is om onze taal te leren of aan anderen uit te leggen. Het meest ingewikkelde is nog dat er niet altijd een patroon in lijkt te zitten. Dat komt wel naar voren als we kijken naar het werkwoorden ‘waaien’. 

Oorspronkelijk is de vervoeging van dit werkwoord dus ‘waaien – woei – gewaaid’. Maar de zwakke vervoeging ‘waaien – waaide – gewaaid’ wordt naar mijn idee veel vaker gebruikt. Ik denk dat dit komt doordat woorden die er hetzelfde uitzien ook op deze manier vervoegd worden. Denk aan:

Naaien – naaide – genaaid

Zaaien – zaaide – gezaaid

Aaien – aaide – geaaid

Ik zou het persoonlijk heel leuk vinden als we voor deze werkwoorden ook een sterke vervoeging zouden gebruiken. Dan zouden we zinnen krijgen als:

‘De boer zoei het gras.’ 

‘Mama noei een jurkje.’

‘Ik oei de kat.’ 

Nog leuker vind ik het om woorden te bedenken die er dan ineens uitzien alsof ze vervoegd zijn. Zo lijkt het woord ‘doei’ dan ineens een vervoeging van ‘daaien’. Daar kunnen we best een werkwoord van maken dat iets als ‘afscheid nemen’ betekent. En misschien is het woord ‘foei’ dan wel een voervoeging van ‘faaien’. Dat lijkt me dan een prachtig werkwoord voor een het fenomeen ‘afkeuren’. 

Ze kunnen de Nederlandse taal nog zo ingewikkeld maken. Ik heb het allemaal nog aardig in het snotje 🙂 En nu ik dat zo typ; het lijkt me hoog tijd om binnenkort eens aandacht te besteden aan een paar van de prachtige spreekwoorden en gezegden die onze taal kent. 

IMG_2032

Vijftiende blog – Ik beveel je dit te lezen

Na blogs over het gebruik van bepaalde woorden en de betekenis of logica hiervan is het nu wel weer eens tijd voor een stukje over taalgebruik in bredere zin. Over een onderwerp dat nog niet eerder aan bod is gekomen, namelijk ‘taalhandelingen’. Taalhandelingen zijn de handelingen die je kunt doen door middel van taal, zoals bijvoorbeeld beloven, verzoeken, bevelen of dreigen. Je kunt aangeven welke taalhandeling je doet door dit te benoemen, maar vaak komt het ook in een formulering naar voren zonder dat je het er expliciet bij vermeldt.

Zoals gezegd zijn beloven, verzoeken, bevelen en dreigen voorbeelden van taalhandelingen. Deze kunnen expliciet in een formulering naar voren komen, maar ook impliciet. Van beide vormen staat hier een voorbeeld:

  • Ik verzoek u allen om plaats te nemen
  • Ik zou graag willen dat u allen plaatsneemt 

In beide gevallen is het duidelijk dat het om een verzoek gaat, ondanks dat in het tweede voorbeeld het woord ‘verzoeken’ niet expliciet genoemd wordt. We herkennen deze taalhandeling vaak vanzelf wel door specifieke woorden (bijv. graag) of door de context. In sommige situaties wordt er bijvoorbeeld al verwacht dat iemand een verzoek zal gaan doen. Meestal kost het mensen geen moeite om te snappen welke taalhandeling iemand probeert te doen. De taalhandeling zelf hoeft daarom niet altijd expliciet genoemd te worden door de spreker.

Er bestaan zelfs taalhandelingen waarbij het raar is wanneer deze expliciet benoemd worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij dreigen. Wanneer iemand zegt ‘als je m’n goudvis kwijtraakt doe ik je wat’, dan voelen we wel aan dat het gaat om een dreigement. Het is niet nodig om een formulering te gebruiken als ‘ik dreig nu dat ik je wat ga aandoen als je m’n goudvis kwijtraakt’. Sterker nog, dit is bijna een beetje lachwekkend. Grote kans dat overvallers met bivakmutsen en zwaar geschut toch wat raar aangekeken worden wanneer ze binnenkomen met ‘hierbij dreig ik dat ik u neerschiet als u me geen geld geeft’. De taalhandeling ‘dreigen’ is er dus een die niet zozeer aangegeven hoeft te worden, omdat die vaak vanzelf wel duidelijk is.

Twee andere taalhandelingen die vaak ook niet expliciet naar voren komen in een formulering zijn complimenteren en beledigen. Althans, ik heb nog nooit iemand horen zeggen ‘ik complimenteer je nu met je leuke trui’ of ‘hierbij beledig ik je met het feit dat je haar stom zit’. Ook deze taalhandelingen worden meestal vanzelf wel ontdekt door de luisteraar. Tenzij er sarcasme in het spel is.

Het interessante aan taalhandelingen is wel dat ze pas uitgevoerd zijn als ze ook daadwerkelijk het doel van de handeling bereiken. Dus de taalhandeling dreigen is pas geslaagd als iemand zich na het horen van de uiting ook echt bedreigd voelt. En er is pas sprake van beledigen als de luisteraar zich na de opmerking die deze taalhandeling met zich meedroeg ook echt beledigd voelt. Vandaar dat het ook kan dat een spreker een uiting doet met de intentie een bepaalde taalhandeling uit te voeren, maar dat dit uiteindelijk niet lukt omdat de luisteraar de uiting niet op die manier interpreteert. Dit gebeurt natuurlijk bij uitstek bij de taalhandelingen complimenteren en beledigen. 

Als iemand zegt ‘leuke broek’ kan het best zijn dat de ander reageert met ‘nee jij ziet er lekker uit’. Terwijl diegene misschien wel echt de intentie had om de ander te complimenteren met de leuke broek. Taalhandeling niet geslaagd dus. Andersom komt het ook voor dat iemand een uitspraak doet als ‘jeetje jouw schoenen! Die kunnen echt niet meer’. Maar wanneer de ander dan zegt ‘haha klopt, ik ga vanmiddag nieuwe kopen’ voelt diegene zich duidelijk niet beledigd, dus ook hier is de taalhandeling niet geslaagd. 

Je kunt dus zelf nog zo’n duidelijke intentie hebben met een bepaalde uitspraak, maar als de ander het anders interpreteert is jouw taalhandeling niet met succes uitgevoerd. Door de reactie van de ander kun jij er dus haarfijn op gewezen worden dat je niet in staat bent je taalhandeling duidelijk over te brengen. Dat is pas een belediging!

IMG_0818

Veertiende blog – Blaf blaf blaf

Mijn vriend en ik liepen laatst in de supermarkt en vielen toen in een gesprek van twee jongens van onze leeftijd. De ene jongen vertelde over een gebeurtenis aan de ander en je kon aan de manier van vertellen merken dat het een goed verhaal moest zijn. We hadden ongeveer dezelfde route in de supermarkt dus we kregen een groot deel van het verhaal mee. Vlak voor de clou van het verhaal zei de jongen iets waar we allebei keihard van in de lach schoten. 

De jongen die het verhaal vertelde zei het volgende:

‘Ineens liep er zo’n vet grote hond op me af, met een kwade kop en zo’n woeste blik en toen begon ie keihard van: blaf blaf blaf.’

Naast dat ik hier smakelijk om gelachen heb, heeft het me ook tot nadenken gezet. Waarom noemen we het geluid dat een hond maakt eigenlijk ‘blaffen’ en niet ‘woeffen’ of ‘waffen’? Bij een kat is het wel zo dat we het geluid dat een kat maakt ‘miauwen’ noemen en dat het daadwerkelijke geluid van een kat ook klinkt als ‘miauw’ (al is dat bij onze kat niet echt het geval). Het woord dat wij hebben voor het geluid dat een kat maakt is een voorbeeld van een onomatopee. 

Veel beschrijvingen van dierengeluiden zijn onomatopeeën. De definitie van een onomatopee is: ‘een woord dat fonetisch het geluid dat het beschrijft nabootst of suggereert’. Dit is bijvoorbeeld ook het geval bij ‘tjilpen’ of ‘kwaken’. Als je dat woord uitspreekt klinkt het (ongeveer) hetzelfde als het daadwerkelijke geluid dat je ermee bedoelt.

Er bestaan natuurlijk ook veel dierengeluiden die onmogelijk te omvatten zijn in een woord dat op het geluid zou lijken. Het geluid van een olifant bevat niet echt klanken die in onze taal voorkomen, dus daarbij is het niet verwonderlijk dat we dit voor het gemak maar ‘trompetteren’ noemen. Ik ben van mening dat dat ook geldt voor het geluid dat een ezel maakt. Dat we de term ‘balken’ gebruiken omdat ‘iieeeaaaahhh’ zo lastig in een woord te omvatten is. Maar het gemiddelde puzzelwoordenboek heeft er geen problemen mee om ‘iaën’ ook goed te rekenen.

Leuk feitje tussendoor: ieder land heeft een eigen perceptie op wat voor geluid een dier maakt. Waar wij het er in Nederland over eens zijn dat een kat ‘miauw’ zegt, vinden ze in Japan dat een kat ‘nyan’ zegt. Een varken doet in het Engels ‘oink oink’, in het Japans ‘boo boo’, in het Frans ‘groin groin’ en in het Zweeds ‘nöff nöff’. 

Ook over het geluid dat een hond maakt is niet iedereen het eens. In het Italiaans omschrijven ze het als ‘bau bau’ en in het Spaans vinden ze het klinken als ‘guf guf’. Toch denk ik wel dat wanneer je een steekproef doet onder de Nederlandse bevolking met de vraag: ‘wat zegt een hond?’, het merendeel zal antwoorden ‘woef woef’ –met uitzondering van de jongen in de supermarkt. Het lijkt mij daarom logischer om het geluid om te omschrijven als ‘woeffen’ of ‘waffen’. Maar ik zal ophouden te mekkeren.

IMG_9695

Dertiende blog – Leuk blogje

Onlangs deed ik tijdens een gezellig etentje inspiratie op voor een nieuw blog. We hadden het namelijk over verkleinwoorden en over hoe die in sommige gevallen vrij ongepast over kunnen komen. Als je jonger bent is het niet gek om te zeggen dat je bij een vriendje of vriendinnetje bent geweest. Maar kun je als volwassene ook zeggen dat je koffie hebt gedronken met een collegaatje?

Ik hoor het de laatste tijd steeds vaker om me heen. Dat mensen het hebben over een collegaatje. Hierbij heb ik twee dingen vastgesteld. 1) Het zijn alleen vrouwen die deze bewoording gebruiken. 2) Het zijn (tot nu toe) personen die in het westen van het land wonen of hebben gewoond. Wellicht dat we in het noorden van het land te nuchter zijn om te beginnen aan deze onzin. Of nog beter: dat we het hier vermijden om in onze vrije tijd over werk en bijbehorende collega’s te praten.

Voor het feit dat het alleen vrouwen zijn die het hebben over een collegaatje heb ik nog geen verklaring kunnen vinden. Ik had al bijna willen typen dat het iets vrouwelijks is om verkleinwoorden te gebruiken, tot ik dacht aan uitspraken als: ‘zullen we even een pilsje pakken’ ‘ik heb een leuk hitje voor je’ of ‘ik heb zin in een patatje’. Deze uitingen kunnen net zo goed door een vrouw als door een man uitgesproken worden. 

Maar waarom zouden we eigenlijk gebruikmaken van verkleinwoorden? In het geval van een ‘pilsje / patatje / hitje’ zou het kunnen zijn dat je bij voorbaat alvast wil laten weten dat het niet zoveel voorstelt. Je gaat een ‘pilsje’ drinken, niet op een wilde kroegentocht. Je gaat een ‘patatje’ eten, en niet een 8-gangendiner. Maar deze theorie is in het geval van ‘collegaatje’ wel wat apart. Althans, het zou niet erg netjes zijn als je mensen op deze manier duidelijk wil maken dat jouw collega niet zoveel voorstelt. Sterker nog: dat is -letterlijk en figuurlijk- behoorlijk kleinerend. 

Misschien is het omgekeerde wel het geval. Dat woorden die behoorlijk wat voorstellen juist verkleind worden om de lading ervan te verbloemen. In dat geval zou het een soort vorm van ironie kunnen zijn. Je kunt natuurlijk ook zeggen dat je een ‘pilsje’ gaat drinken terwijl je eigenlijk de intentie hebt om er niet minder dan acht te nuttigen. Ik ken zelfs twee jongens die regelmatig op zo’n manier met elkaar praten (niet alleen over bier). Uitingen als ‘als ik straks een paar tonnetjes op de bank heb koop ik een mooi Volvootje en een tweede huisje in Stellenbosch’. Daarbij is de grap natuurlijk het doen alsof het niets voorstelt, terwijl het ondertussen overduidelijk is dat dit behoorlijke grootspraak is.

Maar nog altijd lijkt me dit niet de verklaring voor het woord ‘collegaatje’. Dat zou namelijk betekenen dat je bij het woord ‘collegaatje’ eigenlijk je manager of directeur bedoelt. Het kan best riskant zijn om op zo’n manier over iemand die boven je staat te praten. 

Een laatste reden die ik kan verzinnen waarom iemand ‘collegaatje’ zou zeggen in plaats van ‘collega’ is om een eventuele afstand te verkleinen. In principe denken we bij een ‘collega’ aan ‘iemand die bij hetzelfde bedrijf of in dezelfde branche werkt als jij’. Maar dat klinkt best afstandelijk. Misschien dat iemand door ‘collegaatje’ te zeggen wel duidelijk wil maken dat er sprake is van een band. Dat het ‘collegaatje’ in kwestie niet alleen iemand is om mee samen te werken, maar dat je er ook nog best een leuk gesprek mee kunt voeren. Leuk fenomeentje. 

img_9386

Twaalfde blog – Voorsputteren en meestribbelen

Op het vorige blog kreeg ik deze reactie: “Op de radio hoorde ik iemand die het had over tegensputteren; je kan sputteren en je kan iemand tegenspreken, maar tegensputteren vind ik verbaal geknoei waar de spetters vanaf vliegen!”. Dit vond ik een perfect onderwerp om weer een nieuw blog over te schrijven.

In mijn vorige blog had ik het over contaminaties: verkeerde samentrekkingen. In eerste instantie was ik het met bovenstaande opmerking eens, dat tegensputteren ook een onjuiste vermenging is van tegenspreken en sputteren. Toch vroeg ik het voor de zekerheid ook nog even aan een van mijn beste vrienden: D. van Dale. Die zei me tot mijn verbazing dat tegensputteren ook prima is. Beide vormen hebben dezelfde betekenis, namelijk ‘bezwaren uiten’.  

(Zie hier het bewijs)

  

Dit vind ik interessant. Want als sputteren ook al ‘bezwaren uiten’ betekent, waarom zou je er dan nog tegen voor zetten? We kunnen dan toch gewoon alleen de vorm sputteren hanteren? Het verandert niets aan de betekenis wanneer we er tegen voor zetten, dus lijkt dit me overbodig. 

In dit opzicht is het woord tegenstribbelen nog opvallender, want hierbij is het niet zo dat zowel tegenstribbelen als stribbelen in het woordenboek opgenomen zijn. We hanteren alleen het woord tegenstribbelen (betekenis: verzet bieden) en stribbelen op zichzelf is niets. Maar als stribbelen niets is, waarom kun je dan wel tégenstribbelen? Suggereert dit niet dat stribbelen op zichzelf ook een fenomeen is? En nog interesssanter: doet de vorm tegenstribbelen niet vermoeden dat er ook nog een andere vorm van stribbelen is? Iets als voorstribbelen of meestribbelen? 

In het geval van tegenwerken is dat wel heel duidelijk het geval. Werken op zichzelf heeft een betekenis, namelijk: bezig zijn/arbeid verrichten. Meewerken betekent ook iets, namelijk: assisteren/behulpzaam zijn. En tegenwerken heeft weer een andere betekenis, namelijk: dwarsbomen. Tegenwerken en meewerken staan hierbij qua betekenis lijnrecht tegenover elkaar. Datzelfde zien we ook bij tegenvallen en meevallen. Het komt dus wel voor in onze taal dat bij woorden waar tegen in staat er ook een tegengestelde variant is. 

Dus waarom is er dan geen tegenhanger van tegensputteren en tegenstribbelen? Ik zal jullie meteen even uit de droom helpen; ik weet het antwoord ook niet. Wel ben ik van mening dat we er maar beter consequent in kunnen zijn. Als we de term sputteren gaan gebruiken, zonder tegen, moeten we eigenlijk ook stribbelen gebruiken zonder tegen. En als we ervoor kiezen om van deze woorden wel de variant met tegen goed te keuren, dan moeten we ook tegenhangers daarvan gaan gebruiken. Dus bij dezen keur ik vanaf nu ook de woorden voorsputteren en meestribbelen goed. Al is het alleen maar omdat meestribbelen zo enthousiast klinkt. 

Elfde blog – Nooit geen pijn meer

Tautologie en pleonasme, wie kent de termen niet. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die in één keer uit z’n hoofd wist wat ook alweer het verschil tussen die twee was, maar dat is gelukkig ook niet essentieel om een gesprek te kunnen voeren. Bij een andere variant is dat wel het geval. Lees meer. 

Allereerst een snelle opfriscursus om toch de betekenis van de twee weer even omhoog te halen. Een tautologie is wanneer iemand twee keer (of vaker) hetzelfde zegt met verschillende woorden. Bijvoorbeeld ‘ik blijf bij je voor altijd en eeuwig’ of ‘ik heb enkel en alleen de waarheid gezegd’. Er worden dan dus twee woorden gebruikt, meestal na elkaar, die precies hetzelfde betekenen waardoor een van de twee overbodig is.

In het geval van een pleonasme wordt er ook een overbodig woord gebruikt, maar niet omdat er al een woord met dezelfde betekenis gebruikt wordt, maar omdat het woord een nogal vanzelfsprekende toevoeging betreft. Zó vanzelfsprekend dat het ook hier gaat om een woord dat wel weggelaten kan woorden. Denk bijvoorbeeld aan witte sneeuw, een dood lijk, of nat water. Het ene woord zegt iets over het andere woord, maar omdat de toevoeging zo logisch is kan deze net zo goed geschrapt worden. 

Een pleonasme en tautologie kunnen als stijlfout gezien worden. Er wordt meer gezegd dan nodig, dus het is beter, of in ieder geval praktischer, om het overbodige gedeelte weg te laten. Maar er is geen man overboord als iemand per ongeluk wel een keer een van deze stijlfouten maakt. De betekenis van de boodschap wordt er niet anders van. 

Dat is wel anders in de uiting waar mijn vriend laatst mee thuis kwam. Met een van zijn patiënten had hij het volgende gesprekje: 

  • Hoe gaat het nu?
  • Goed, ik heb na de laatste behandeling nooit geen pijn meer gehad. 

Arme meneer/mevrouw. Door de dubbele ontkenning nooit geen wordt er eigenlijk gezegd dat diegene altijd pijn heeft. In dit geval is het dus niet alleen zo dat er een overbodig woord gezegd wordt, het verandert ook nog eens de hele betekenis van de zin. (Ervan uitgaande dat de patiënt duidelijk wou maken dat hij/zij nergens meer last van had.) Dit is dus nogal onpraktisch want hiermee zeg je uiteindelijk het tegenovergestelde van wat je daadwerkelijk bedoelt. Ik hoor het wel vaker. Mensen die zeggen ‘ik heb nergens geen zin meer in’ of ‘we moeten voorkomen dat we niet te laat komen’. Oftewel, ik heb overal zin in en we moeten zorgen dat we te laat komen. Dat soort uitingen vind ik nog interessanter dan pleonasmen of tautologieën.

Maar de leukste stijlfout is wat mij betreft de contaminatie; een vermenging van woorden, uitdrukkingen of spreekwoorden, waardoor er een heel nieuwe vorm ontstaat. Zo zei laatst iemand ‘valt hij even door het ijs’. Dat komt natuurlijk van door de mand vallen en misschien ook wel je op glad ijs begeven. (Ik vraag me nu af of glad ijs niet ook een pleonasme is.) En ik hoor ook steeds vaker mensen zeggen dat ze iets gaan ‘uittesten’. Een mengsel van uitproberen en testen. Ik denk dat ik dat ook het leuke vind aan zulke uitingen: het bedenken uit welke twee (of meer) uitingen de nieuwe uiting voortkomt. Het zijn eigenlijk net kleine puzzeltjes. Behalve in het geval van een van mijn favoriete uitspraken aller tijden ‘het escaleert weer volledig uit de hand’. Daarbij is het overduidelijk waar het vandaan komt (uit de hand lopen en escaleren) en wat de boodschap is: het gaat weer helemaal fout. 

*Hebben jullie ook een favoriete foutieve uitspraak? Laat het me weten!

Tiende blog – Klopt precies

Ik heb vanaf het begin gezegd dat ik ook een blog ging schrijven over het scriptieonderwerp van mijn eerste masterscriptie. Deze scriptie schreef ik voor de studie Nederlands en het onderwerp hoorde bij het vak gespreksanalyse. Het onderwerp had ik niet zelf bedacht, maar betrof een vraagstuk waar de professor van dat vak al tijden mee rondliep. Namelijk: wat is het verschil tussen de response tokens klopt en precies? Geef toe, dit vroeg jij je vast ook al enige tijd af. Dan heb je geluk! Ik heb een antwoord voor je.

Allereerst even dit: een response token is een uiting waarmee je response kunt geven (goh). Het ging in mijn scriptie dus om het verschil tussen de uitingen klopt en precies die als response op iets volgen, en niet midden in een uiting voorkomen. Een vrij onbenullig onderwerp zul je misschien denken, maar er is toch een boekwerk van een pagina of vijftig uit voortgekomen.

Dat er een verschil zit in de twee response tokens kan het beste aangetoond worden aan de hand van voorbeelden:

  1. – Jij hebt toch een hond?
    – Ja, klopt
  1. – Jij hebt toch een hond?
    – Ja, precies
  1. – Een hond is leuk, maar ik denk dat ik veel blijer word van een kat.
    – Ja, precies
  1. – Een hond is leuk, maar ik denk dat ik veel blijer word van een kat.
    – Ja, klopt

Waarschijnlijk heb je voor jezelf al vastgesteld dat voorbeeld 2 en 4 opmerkelijk zijn en dan 1 en 3 niet raar zijn. Maar waarom?

Het heeft te maken met de kennisdomeinen van de gesprekspartners en met de rechten op deze kennis. Wanneer er over een onderwerp gesproken wordt bestaan er drie scenario’s:

  1. Het onderwerp is bekend bij persoon A maar nieuw voor persoon B, bijvoorbeeld wanneer persoon A over zijn/haar vakantie vertelt aan persoon B.
  2. Het onderwerp is niet bekend bij persoon A maar wel bij persoon B, bijvoorbeeld wanneer persoon A aan persoon B vraagt of hij/zij gewonnen heeft met voetbal.
  3. Beide personen hebben kennis van het onderwerp. Bijvoorbeeld wanneer persoon A en B praten over honden en katten. (Ervan uitgaande dat beide personen wel eens van deze dieren gehoord hebben).

In het eerste scenario is het duidelijk te zeggen dat er gesproken wordt over een onderwerp dat in het kennisdomein van persoon A valt. Persoon A heeft in dit voorbeeld de ‘epistemic primacy’ wat inhoudt dat hij/zij een soort voorrang op deze kennis heeft: het meeste recht om iets te zeggen over het onderwerp. Datzelfde geldt voor het tweede voorbeeld, maar dan ligt het onderwerp in het kennisdomein van persoon B en heeft hij/zij de epistemic primacy. Voor het derde scenario wordt het iets ingewikkelder. In theorie is het zo dat wanneer twee personen een gesprek hebben over honden en persoon A heeft 2 jaar een hond en persoon B al 5 jaar, de kennisrechten bij persoon B liggen. Maar in de praktijk wordt er in een gesprek natuurlijk nooit eerst vastgesteld wie welke rechten op welk onderwerp heeft, dus dat moet blijken uit de uitingen die gedaan worden.

Wat er daarom in feite in elk gesprek gebeurt is dat er als het ware ‘onderhandeld’ wordt over de rechten om ergens iets over te zeggen. Niet letterlijk, maar dit komt naar voren in de formulering die iemand gebruikt. Wanneer iemand iets zegt op een manier waaruit blijkt dat hij of zij heel zeker is over het onderwerp waarover gepraat wordt, noemen we dat ook wel een uiting met een hoge ‘epistemic stance’. Hij of zij claimt hiermee als het ware het recht om iets te zeggen over het onderwerp. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een uiting als:

– Een hond moet elke dag eten.

Het kan ook zijn dat iemand een uiting doet met een lage epistemic stance. In dat geval claimt diegene niet het recht om iets te zeggen over een onderwerp, maar legt hij dat recht juist bij de gesprekspartner. Dat is in het volgende voorbeeld te zien:

– Een hond moet elke dag eten, toch?

Nu denk je waarschijnlijk: wat heeft dit dan allemaal te maken met klopt en precies? Nou, het zit zo: de response tokens klopt en precies dragen bij aan de onderhandelingen over de kennisrechten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin met de hoge epistemic stance. ‘Een hond moet elke dag eten.’ Door in deze uiting een zelfverzekerde formulering te gebruiken, laat de spreker blijken dat hij/zij kennis heeft over het onderwerp en daarmee claimt de spreker het recht om hier iets over te zeggen. De gesprekspartner kan hierop reageren met ‘ja, precies’. In dat geval laat hij/zij zien dat hij/zij de spreker begrijpt en het recht om iets over het onderwerp te zeggen blijft dan bij de eerste spreker. Als de gesprekspartner reageert op de uiting met ‘ ja, kopt’, laat hij/zij niet alleen zien dat de uiting begrepen wordt, maar hiermee wordt de uiting ook bevestigd. Met het bevestigen van de uiting laat iemand zien dat hij of zij meer kennis over het onderwerp heeft en wordt het recht om iets over het onderwerp te zeggen dan ook weer ‘teruggeclaimd’.

Nog twee voorbeelden om dit te verduidelijken:

– Een kat kan wel een dagje zonder eten.
– Ja, precies.

– Een kat kan wel een dagje zonder eten.
– Ja, klopt.

De uiting die gedaan wordt ‘een kat kan wel een dagje zonder eten’ heeft een hoge epistemic stance. (Met een lage epistemic stance zou het iets zijn als: ‘Een kat kan vast wel een dagje zonder eten, toch?’ of ‘Ik denk dat een kat misschien wel even een dagje zonder eten kan’) Wanneer er op gereageerd wordt met ‘ja, precies’ zoals in het eerste voorbeeld, blijft het recht om iets over dit onderwerp te zeggen bij de eerste spreker. Maar met de reactie ‘ja, klopt’ bevestigt de tweede spreker dat een kat wel een dagje zonder eten kan, waarmee hij/zij laat zien dat hij/zij meer kennis over het onderwerp heeft. Het recht om iets over het onderwerp te zeggen wordt dus eerst geclaimd door de eerste spreker, doordat hij/zij een uiting doet met een hoge epistemic stance. Maar met de reactie ‘ja, klopt’ pakt de tweede spreker dit recht als het ware weer af.

De reden dat je bij de voorbeelden die ik in het begin heb gebruikt gevoelsmatig al het idee hebt dat bij de ene uiting klopt logischer is en bij de andere precies, is dat hier de rechten al wel vooraf bepaald zijn zonder dat er in het gesprek nog over onderhandeld hoeft te worden. Bij de vraag ‘jij hebt toch een hond?’ ligt het recht om iets te zeggen over dit onderwerp bij voorbaat al bij degene aan wie de vraag gesteld wordt. Die kan hier dus eigenlijk alleen maar op reageren met een bevestiging ‘ja, klopt’. Of een ontkenning natuurlijk ‘nee, hoe kom je daar nou bij’. De reactie ‘ja, precies’ waarmee je aantoont dat je de uiting begrijpt is hierbij niet gepast.

Bij de andere uiting ‘Een hond is leuk, maar ik denk dat ik veel blijer word van een kat’ is het precies (haha) andersom. Hierin presenteert de spreker zijn uiting als een mening (door ‘ik denk’) en gaat het ook nog eens over zijn/haar eigen gevoel (door ‘dat ik veel blijer word’). Het recht om hier iets over te zeggen ligt daarom ook automatisch bij de eerste spreker. De tweede spreker kan hier daarom alleen op reageren met ‘ja, precies’ om aan te geven dat hij/zij dat begrijpt. De reactie ‘ja, klopt’ zou hier ongepast zijn want dan zou de tweede spreker laten zien dat hij/zij meer kennis over dit onderwerp heeft wat in dit geval niet mogelijk is.

Toch heb je ze wel. De mensen die op jouw mening reageren met een bevestigende ‘ja, klopt’. Wanneer je bijvoorbeeld zegt ‘ik vond Kaapstad echt een prachtige stad’ en iemand reageert met ‘ja, klopt’. Dan weet je dat diegene erg graag wil laten blijken dat hij/zij ook in Kaapstad is geweest en dat hij/zij vindt dat hij/zij het recht heeft om iets te zeggen over dit onderwerp. Dat soort mensen kun je dan maar beter gewoon hun gang laten gaan.

*Reageren mag altijd! En als je meer over dit onderwerp wil weten en mijn scriptie wil lezen, dan hoor ik het graag!

Negende blog- Deze doet het niet

Ik zat laatst met een vriendin onderweg te eten bij een restaurant met gele bogen – ik zal geen reclame maken. En we hebben ons daar toch zo kostelijk vermaakt met het aanschouwen van de onhandigheid van de medewerkers. Nou zal ik deze blog niet gebruiken om te gaan vertellen hoe het allemaal beter kan, maar ik wil wel graag een interessante gebeurtenis uitlichten. 

Het begon met een medewerker die twee grote bekers cola van haar dienblad op de grond liet vallen. (Het was waarschijnlijk haar eerste dag). Ze liep direct weg om een dweil te gaan halen waardoor er een andere medewerker werd opgeroepen om de nieuwe bekers cola naar de tafel te brengen. Zij pakt het dienblad en loopt hiermee vervolgens dwars door de plas met cola op de grond heen. (Het was waarschijnlijk haar eerste dag). Hierdoor lag er niet meer alleen een plas met cola bij de balie, maar de cola was nu ook verspreid door het restaurant terug te vinden in de vorm van schoenmaat 37. 

Niet lang daarna was het eerste meisje weer terug met een dweil. En toen werd het leuk. Ze deed de dweil in het sopje, vervolgens door de uitwring-emmer en hierna begon ze de colaplas vakkundig verder over de vloer uit te smeren. Ze heeft dit nog een paar keer herhaald, maar ging vervolgens toch maar naar haar leidinggevende/manager en toen zei ze dit:

“Hebben we ook nog een andere dweil ergens? Want deze doet het voor geen meter.”

Fan-tas-tisch. Mijn vriendin en ik hebben dit even besproken, maar kwamen erachter dat je van sommige dingen niet echt kunt zeggen dat ze “het niet doen”, maar dat er wel begrepen wordt wat je bedoelt wanneer je het zegt. Ik heb hier nog een ander voorbeeld van. Een vriend van mij werkte als bijbaantje in een winkel die bekend staat om z’n tompoucen en rookworsten – ik zal geen reclame maken. Hij kreeg een keer een klant aan de kassa die theedoeken wilde ruilen omdat ze het niet deden. In theorie kun je dit natuurlijk niet echt zeggen, want een theedoek doet van zichzelf -als het goed is- helemaal niets. Maar toch snappen we wel dat het er dan om gaat dat met deze theedoeken de afwas lastig droog te krijgen is. 

Het probleem is dat je zowel bij een dweil als bij een theedoek zelf een groot aandeel hebt in het wel of niet laten slagen van de actie. In feite lukt het jóú niet om te bereiken wat je wil bereiken, maar leg je de schuld neer bij het product. Het meisje had ook kunnen zeggen:

“Hebben we ook nog een andere dweil ergens? Want hiermee lukt het niet.”

Dan ligt de nadruk meer op het feit dat de handeling niet goed uitgevoerd kan worden. Ongeacht wiens schuld dat is. Of:

“Hebben we ook nog een andere dweil ergens? Want ik krijg het hiermee niet voor elkaar.”

Dat laat ze wel blijken dat het aan haar zelf ligt en niet aan het voorwerp. Toch vind ik het wel origineel om in plaats daarvan te zeggen dat een product het niet doet, ook al kán dat product zelf ook helemaal niets. De perfecte manier om onder vervelende klusjes uit te komen. 

“Ilse, waarom is de afwas niet gedaan?”
“De schuurspons deed het niet.” 

“Ilse, waarom hangt dat schilderijtje niet recht?”
“De spijker deed het niet.”

“Ilse, waarom is onze boot weggedreven?”
“Het touw deed het niet.”

Al zou ik dit soort formuleringen, zeker op de werkvloer, niet te vaak gebruiken. Het zegt namelijk wel het een en ander over je zelfreflectie en je verantwoordelijkheidsgevoel. Die doen het niet.

IMG_7185

Achtste blog- Oh ja, smalltalk

Waar een weekje vakantie al niet goed voor kan zijn. Ik zit weer helemaal vol inspiratie voor mijn blog. Niet omdat ik zo lekker tot rust ben gekomen en m’n hoofd heb kunnen leegmaken. Maar omdat ik de hele vakantie lang om me heen de meest fantastische gesprekken heb gehoord van landgenoten. Het begon al op het vliegveld in Nederland.

Toen mijn vriend en ik in de rij stonden te wachten tot we het vliegtuig in mochten stappen, stonden voor ons twee vrouwen waarvan we al hadden meegekregen dat het collega’s van elkaar waren. Ze stonden vlak achter elkaar in de rij en deden daarom maar even hun best om even een sociaal praatje te maken. Want ondanks dat je collega’s misschien niet de mensen zijn die je het liefst ziet als je op vakantie gaat, is het ook weer zo wat om elkaar te gaan negeren. Toch viel het bij deze vrouwen wel behoorlijk op dat het geen collega’s waren die elkaar op kantoor de oren van het hoofd kletsen. Ze deden een wanhopige poging om een geïnteresseerd gesprek met elkaar te voeren, wat er als volgt uitzag:

• Welke rij zit jij?

•Rij 1. Dus ik moet de nooddeur voor jou openen als er iets gebeurt haha. En jij?

• Rij 12.

•Oh ja.

Ik vind de vraag ‘welke rij zit jij?’ überhaupt al bijzonder. Het was een klein vliegtuig met een stoel of vijftig en er waren geen verschillende klassen. Het verschil tussen de voorste of achterste rij lijkt me daarom minimaal. Bij het concert van Beyoncé in Ziggo Dome is het wel leuk om te weten of iemand vooraan staat of niet. Maar in het geval van een vliegtuig is de enige reden dat je iemand vraagt waar hij/zij zit, om er zeker van te zijn dat jullie niet al te dicht bij elkaar in de buurt zitten. 

Maar naast de bijzondere vraag, is vooral de laatste reactie van dit gesprek heel interessant. De ‘oh ja’. Volgens mij is ‘oh ja’ een reactie waarmee je een teken van herkenning toont. Het geeft aan dat de informatie die je hoort niet nieuw voor je is. Bijvoorbeeld:

  • Hoe heet je kat ook alweer?
  • Siep
  • Oh ja. (Dat wist ik wel)

Of

  • Wie is jouw favoriete artiest?
  • Jamie Cullum
  • Oh ja. (Die ken ik wel)

Maar wanneer iemand je vertelt op welke rij hij/zij in het vliegtuig zit, is het bijzonder om te reageren met ‘ oh ja’. Ténzij je al eerder in het desbetreffende vliegtuig hebt gezeten en toevallig ook op die rij. Dan is het onderwerp waarover gepraat wordt niet nieuw voor je en kun je dus reageren met een teken van herkenning. Maar omdat de kans dat deze mevrouw precies rij 12 in dit vliegtuig eerder gezien zou hebben best klein was, vond ik de reactie toch wel opvallend. Mijn vriend en ik begonnen dan ook direct in te vullen wat deze mevrouw zou kunnen bedoelen met haar reactie. We kwamen tot de volgende opties:

  • Rij 12.
  • Oh ja. Ik heb wel eens gehoord van dat getal.
  • Rij 12.
  • Oh ja. Dat is vast ook wel een goede plek.
  • Rij 12.
  • Oh ja. Die rij gaat ook naar Ibiza.  

In sommige gevallen kan ‘oh ja’ ook gebruikt worden op een neerbuigende manier. Je kent ze wel, van die mensen die zichzelf toch al iets beter vinden dan de rest. En je dan een semi-geïnteresseerde vraag stellen, zoals ‘wat studeer je?’. En wanneer je dan antwoordt met ‘Mbo sport en bewegen’ reageren ze met ‘oh ja’. Waarmee ze waarschijnlijk bedoelen te zeggen: ‘Oh ja, dat is ook nog een optie. Zou ik zelf nóóit doen, maargoed, ieder z’n ding.’ Misschien dat de mevrouw bij het vliegtuig zelf wel drie euro meer had betaald om op rij 1 te zitten en dat ook haar ‘oh ja’ ietsje neerbuigend was.

  • Rij 12.
  • Oh ja. Sommige mensen vliegen ook goedkoper en minder comfortabel. 

Oké, ze bedoelde waarschijnlijk geen van allen. En ze koos er waarschijnlijk ook niet heel bewust voor om ‘oh ja’ te zeggen. Er zijn simpelweg niet heel veel logische uitingen waarmee je in zo’n geval kan reageren. Omdat het nou ook niet een erg gebruikelijke vraag is. Ik had daarom ook wel met haar te doen. Denk je lekker op vakantie te gaan, moet je zo’n knullig small-talk gesprek voeren met een collega. Ik hoop dat ze verder wel een leuke vakantie hebben gehad. 

* Andere leuke aanvullingen op deze ‘oh ja’ zijn natuurlijk altijd welkom 🙂 Reageer hier.

IMG_6676

Zevende blog- Oberjargon

Veel beroepen hebben hun eigen vakjargon. En bij veel van die beroepen vind ik dat ook logisch. Of in ieder geval; heb ik er geen last van. Dat geldt niet voor obers. Obers hebben ook een soort eigen vakjargon bedacht. Maar dan niet voor onderlinge communicatie, maar voor de communicatie naar de gasten toe. Ik ben altijd erg benieuwd of ze dat daadwerkelijk leren op de hogere hotelschool of dat ze elkaar maar gewoon domweg nadoen. Één ding weet ik wel zeker: hoe chiquer het restaurant, hoe vreemder de taal.

Paulien Cornelisse heeft in een van haar boeken ook al eens “obertaal” geanalyseerd. Zij verwonderde zich over de vraag ‘Had u nog iets te drinken gewild?’. Opvallend dat die vraag in de verleden tijdsvorm gesteld wordt, terwijl je wil weten of je gasten momenteel iets willen drinken. Paulien Cornelisse trok de conclusie dat hier waarschijnlijk nog iets achteraan hoorde te komen, namelijk: ‘Had u nog iets te drinken gewild? (als ik bereid was u dat te geven)’. Geen al te meewerkende ober dus.

Wij hadden onlangs ook zo’n ober naast onze tafel. Die sprak niet in de verleden tijd, maar juist in de toekomstige tijd. Nadat hij ons gerecht op tafel had gezet. Of ons drinken. Of eigenlijk na alles wat hij bij ons op tafel zette, zei hij: ‘Ik zou zeggen: geniet ervan.’ Ik vind die constructie niet raar, alleen maar heel bijzonder. Als hij het gedeelte ‘Ik zou zeggen’ ervoor weg zou laten, zegt hij eigenlijk precies hetgeen waarvan hij nu zegt dat hij het zou zeggen.

Ik heb lang nagedacht over deze zou-constructie, maar ook hier lijkt het alsof er nog iets achteraan hoort te komen. Bij het woord zou is het volgens mij namelijk altijd:

Ik zou [X] als/maar [Y]

Als iemand zegt ‘Ik zou op vakantie gaan’. Dan ga je er ten eerste vanuit dat diegene niet op vakantie is geweest. En ten tweede verwacht je dan nog een vervolg, bijvoorbeeld: ‘Ik zou op vakantie gaan, maar de vlucht ging niet door’ of ‘Ik zou op vakantie gaan, als ik de loterij won’. Ik heb nog geen voorbeeld kunnen verzinnen waarbij er zou in een zin gebruikt wordt, zonder dat er een vervolg achter hoeft.

In het geval van de ober ben ik dan dus ook heel benieuwd wat voor vervolg achter zijn zin aan zou kunnen komen. ‘Ik zou zeggen: geniet ervan (maar ik krijg het m’n strot niet uit)’ of ‘Ik zou zeggen: geniet ervan (als ik een aardige ober was)’. Mijn vriend zei dat hij misschien wel bedoelde dat wij dat tegen elkaar moesten zeggen. Dus: ‘Ik zou zeggen: geniet ervan (als ik jullie was).’ In dat geval was de ober gewoon een bemoeial. Ik ben er nog niet uit wat nou het meest logische vervolg is. Maar we hebben wel genoten. 🙂

*Laat me in een reactie weten wat volgens jou het beste (of leukste) vervolg is!

reageer hier

IMG_5735

 

Zesde blog- Sturen met vragen

Wat ik in gespreksanalysecolleges een fascinerend onderwerp vond was ‘vragen’. Op welke manieren kun je vragen stellen, welke antwoorden kun je dan verwachten en vooral: met welke vraag krijg je het antwoord dat je graag wil horen. In colleges hebben we dit aspect vooral besproken aan de hand van gesprekken uit de medische sector. En omdat mijn vriend, Gijsbert, als fysiotherapeut ook regelmatig thuiskomt met interessante verhalen over gesprekken met patiënten, ga ik nu ook in op ‘vragen in de medische sector’.

Er zijn verschillende soorten vragen. Je hebt bijvoorbeeld interrogatieve vragen (Doet dit pijn?), declaratieve vragen (Dit doet pijn?), vraagwoordvragen (Waar doet het pijn?), tag-questions (Hier doet het pijn, toch?) en alternatieve vragen (Zit de pijn links of rechts?). In de medische sector is het natuurlijk van groot belang dat een patiënt alle relevante informatie geeft die een arts/fysiotherapeut nodig heeft om een diagnose te kunnen stellen. Het stellen van de juiste vragen heeft hier een enorm grote invloed op.

Uit conversatieanalytisch onderzoek is gebleken dat er in arts-patiënt gesprekken vaker gesloten vragen (interrogatief of declaratief) gesteld werden dan open vragen (vraagwoordvragen). Hierbij werd gezegd dat dit de patiënt zou belemmeren in het presenteren van hun klacht. Maar in de praktijk blijkt dat patiënten op gesloten vragen toch regelmatig een “open antwoord” geven. Na een vraag als Heeft u alleen last van de knie? is de kans klein dat er alleen een Nee als antwoord volgt. Tenzij je een erg stugge patiënt tegenover je hebt. Het is gebruikelijker dat een patiënt hierop antwoord met Nee, ook van m’n heup, omdat de patiënt nou eenmaal weet dat dit relevante informatie is voor de arts. Wanneer de patiënt wel alleen last heeft van zijn of haar knie is alleen een Ja als antwoord voldoende.

Een reden waarom het misschien toch beter zou zijn om open vragen (vraagwoordvragen) te stellen, is omdat er met  het stellen van een interrogatieve of declaratieve vraag de kans bestaat dat je de patiënt al richting een antwoord stuurt.

*Denk bijvoorbeeld aan wanneer je een vriend of vriendin vraagt: ‘heb jij ook zo weinig zin om te werken maandag?’ Dan hoop je toch van harte dat die ander hier met ‘ja’ op antwoord, anders ben jij meteen weer de ondankbare zeikstraal met de vervelende baan.

Bij zo’n vraag die een bepaald antwoord als voorkeur heeft, heet het antwoord ook wel het geprefereerde antwoord. Bij de vraag De knie is niet dik? is het geprefereerde antwoord Nee en bij de vraag U kunt wel gewoon lopen? is het geprefereerde antwoord Ja. Door de vraag op een bepaalde manier te formuleren laat je zien wat je verwacht terug te krijgen.

*Het betekent niet dat het geprefereerde antwoord ook het leukste antwoord is voor de ander. Denk aan de “vraag” ‘Jullie hebben zeker geen bestek’. Hier laat de spreker zien dat hij een ‘Nee’ verwacht – het geprefereerde antwoord. Maar ondertussen hoopt diegene vermoedelijk toch wel degelijk op een ‘Ja’.

Met dit soort vragen is het verstandig om een beetje voorzichtig te zijn, want mensen zijn al gauw geneigd om te zeggen wat de ander wil horen. Zeker als die ander een medische expert is en jij van diegene een oplossing voor jouw klacht hoopt te krijgen. Gijsbert heeft ook wel eens gezegd dat als je wil, je een patiënt met bepaalde vragen precies een bepaalde diagnose of klacht in de mond kan leggen. Niet goed om een accuraat beeld van de klacht te krijgen. Wel handig voor als je zin hebt om naar huis te gaan.

ftzs

 

Vijfde blog- Standaardgesprekjes

Nog een leuk aspect dat naar voren komt wanneer je als caissière werkt is het mooie gestandaardiseerde praten. Ik gok dat zo’n 95% van de gesprekjes met klanten hetzelfde verloopt. En dat is ook precies de reden dat het soms ook ineens niet meer klopt. Omdat mensen van tevoren al denken te weten wat de ander gaat zeggen.

Dat mensen bij een “kassa-gesprekje” van tevoren al denken te weten wat de ander gaat zeggen komt doordat deze gesprekjes voor een groot deel bestaan uit een vaste sequentieorganisatie. Sequenties zijn samenhangende reeksen van beurten van sprekers. De beurten die in zo’n reeks voorkomen bestaan vaak ook weer uit aangrenzende paren: uitingen die vanzelfsprekend bij elkaar horen, zonder dat we dat met elkaar afgesproken hebben. Een aangrenzend paar bestaat bijvoorbeeld uit een vraag (eerste paardeel) en een antwoord (tweede paardeel). Of een complimentje (eerste paardeel) en een bedankje (tweede paardeel). Wanneer in deze voorbeelden het tweede paardeel ontbreekt is de beurt direct gemarkeerd.

Gesprekjes met een vaste sequentieorganisatie bestaan dus uit meerdere beurten (vaak aangrenzende paren) en in bepaalde situaties staan deze ook nog in een vaste volgorde. Dit is bijvoorbeeld het geval in telefoongesprekken. Deze beginnen altijd met ‘Hallo met … ‘ (eerste paardeel) en dan de reactie ‘Hallo met … ‘ (tweede paardeel). En een telefoongesprek eindigt vaak met ‘Oké doei’ (eerste paardeel) en ‘Daag’ (tweede paardeel). Ook een gestandaardiseerd praatje dus.

*Het is daarom ook supervervelend als jij iemand belt, dat diegene opneemt met ‘Hoi Ilse’. Want het tweede paardeel dat jij in je hoofd had ‘Hallo met Ilse’ kan dan ineens niet meer dus moet je snel schakelen.

Een gesprekje aan de kassa heeft dus ook een vaste sequentie organisatie. Het bestaat uit aangrenzende paren als begroeting – begroeting, vraag – antwoord, aanbieden – bedanken, afsluitende groet – afsluitende groet. Dit kan nog wel in verschillende vormen voorkomen, maar de combinaties en volgorde staan zo goed als vast. Een standaard gesprekje aan de kassa – in een snelle winkel als de AH To Go – ziet er vaak uit als volgt:

  • Goedemiddag.
  • Hallo. Een cappuccino graag.
  • Natuurlijk. 1,95 alstublieft.
  • Alstublieft. (geeft geld)
  • Dank u wel. En 5 cent terug. (geeft geld terug)
  • Bedankt.
  • Fijne dag verder.
  • Hetzelfde.

*De klant uit dit voorbeeld is overigens beleefder dan de gemiddelde klant, maar aan de minder beleefde klanten ga ik later ongetwijfeld ook nog enkele blogs wijden.

Omdat een “kassa-gesprekje” een vaste sequentieorganisatie heeft hoef je er ook niet over na te denken wat je nu weer eens moet gaan zeggen. Want of je nou de variatie ‘Graag’ of ‘Alstublieft’ gebruikt maakt voor het gesprek niet erg veel uit. Toch zijn er ook hier variaties waardoor het tweede paardeel dat de klant van plan was te uiten ineens niet meer klopt. Zo is er een collega in de winkel die als afsluiting van het gesprek vaak ‘Goeie reis’ zegt. Er gemakshalve maar vanuit gaande dat iedereen die de AH To Go op het station binnenstapt nog een reis te gaan heeft. Veel klanten zien dat niet aankomen omdat het een onverwachte variatie is op ‘Fijne dag verder’ en reageren daarom met ‘Hetzelfde’. In dit geval komt er een eerste paardeel in de beurt voor dat de klant niet had verwacht.

Andersom komt het ook voor; dat de klant een eerste paardeel verwacht dat juist niet komt. Soms anticiperen klanten op de vraag ‘Wilt u de bon mee?’ aan het eind van het gesprekje. Als ze hun tweede paardeel (het antwoord) hierop dan al klaar hebben, terwijl wij de vraag niet stellen, komt de conversatie er zo uit te zien.

  • Goedemiddag.
  • Hallo. Een cappuccino graag.
  • Natuurlijk. 1,95 alstublieft.
  • Alstublieft. (geeft geld)
  • Dank u wel. En 5 cent terug. (geeft geld terug)
  • Bedankt.
  • Fijne dag verder.
  • Nee, bedankt.

*’Dan niet’ mompel ik dan zachtjes als ze weglopen.

Maar ik begrijp heel goed dat het lastig is om zo snel te moeten schakelen en razendsnel de uiting die je in je hoofd had te veranderen in iets anders passends. Enkele jaren geleden wilde ik een aankoop doen en terwijl ik in de rij stond bedacht ik mij dat ik altijd ‘Dankjewel’ zei aan de kassa. Het leek me ook wel eens leuk en beleefd om ‘Bedankt’ te zeggen, dus dat nam ik mij voor. Tijdens het afrekenritueeltje verloor ik mijn doel echter uit het oog, waardoor ik alsnog ‘Dankjewel’ wilde inzetten. Terwijl ik daarmee bezig was bedacht ik me dat ik met mezelf had afgesproken ‘Bedankt’ te zeggen, met als resultaat dat ik een rare mengeling van die twee uitsprak. ‘Dabe’ zei ik, terwijl ik mijn aankoop aanpakte. Om vervolgens knalrood de winkel uit te lopen.

IMG_5217

 

Vierde blog- Uitgaan van het slechtste

Een van de beste inspiratiebronnen voor interessant taalgebruik is het werken bij de Albert Heijn To Go. In deze winkel op het station lopen elk uur ongeveer 400 klanten naar binnen en weer naar buiten. Genoeg snelle gesprekjes dus. En vooral: genoeg vragen.

Een van de meest gestelde vragen door klanten is toch wel de vraag naar bestek. Vaak kopen mensen bij de Albert Heijn To Go een salade of bekertje yoghurt die ze vervolgens in de trein willen verorberen. Logisch dat ze dan ook graag een vork of lepel willen om dat mee te doen. Minder logisch is de manier waarop ze daarom vragen. Wat onder andere veel voorkomt is de vraag:

“Hebben jullie ook iets van een vorkje of zo?”

(Vaak gaat deze vraag gepaard met het omhooghouden van de salade en soms ook het uitbeelden van een eethandeling)

Hiermee wordt dus niet om een vork of om bestek gevraagd maar om “iets van een vorkje of zo”. De neiging om de klant erop te wijzen dat we wel satéprikkers verkopen is dan best groot. Maar meestal ben ik wel zo schappelijk om de klant vertellen dat het bestek onder de magnetron te vinden is. Waarna de klant negen van de tien keer richting het in het oog springende koffieapparaat loopt, om daar nog een halve minuut kwaad om zich heen te kijken totdat hij of zij de magnetron verderop ontdekt.

Een andere vraagstelling, of misschien moet ik gewoon stelling zeggen, die veel gebruikt wordt, is:

“Jullie hebben zeker geen bestek.”

Bij deze opmerking, want een echte vraag is het niet, gaan bij mij altijd de nekharen overeind staan. Aan de ene kant begrijp ik de formulering wel, omdat de klant hiermee waarschijnlijk wil laten zien dat hij of zij niet teleurgesteld zal zijn als er inderdaad geen bestek is. Uit de formulering blijkt namelijk dat de klant toch al een bevestigend antwoord verwacht. Maar dat betekent dus ook dat de klant bij voorbaat al van het negatieve uitgaat. En dat kan bij de ontvanger van de “vraag” wel irritatie opleveren. Nou maakt het mij niet zo heel veel uit of een klant verwacht dat wij bestek hebben of niet. Maar dezelfde uiting wordt ook wel eens gedaan als ik om 6 uur ’s ochtends op de broodafdeling sta:

“Je hebt zeker nog geen croissantjes klaar.”

Hoezo heb ik dat zeker nog niet? Mijn wekker ging vanochtend om 4.45 zodat ik op tijd kon beginnen om jouw ontbijt bij elkaar te bakken en jij gaat er bij binnenkomst maar alvast vanuit dat dat me niet gelukt is?

Je kunt je misschien wel voorstellen dat je op dat tijdstip in de ochtend nog niet op je alleraardigst bent, dus ik zal ook niet ontkennen dat ik wel eens geantwoord heb met: “klopt”. Terwijl ik 7 seconden later de heerlijk versgebakken croissantjes uit de oven tevoorschijn haalde.

Voor jezelf is het misschien goed om in sommige situaties alvast van het slechtste uit te gaan, onder het mom van: dan kan het alleen maar meevallen. Maar het is niet altijd nodig om dat ook aan de ander te laten blijken.

fotoblog

 

Derde blog- Leg dat maar eens uit

Nederlands is raar. En niet alleen de talige dingen die voortdurend veranderen. (Datums mag nu ineens wel??) Ook van sommige aspecten uit het Nederlands die al jaren hetzelfde zijn, is soms totaal niet te verklaren waarom dit zo is. Een onmogelijke taal dus om te leren aan mensen die hier niet vandaan komen.

Nog afgezien van het verwarrende gegeven dat er de ene keer ‘de’ en de andere keer ‘het’ voor een zelfstandig naamwoord moet. Of de ingewikkelde vervoegingen die soms totaal willekeurig lijken. Hopen – hoopte. Lopen – liep. Kopen – kocht. Dat soort gekkigheden heb je in elke taal.

Maar een ander moeilijk aspect uit onze taal is het meervoud. Waarschijnlijk wordt er in een cursus Nederlands al vrij snel verteld: in het meervoud krijgt een zelfstandig naamwoord een ‘s’ of ‘en’ erachter. Nou top! Dat is niet moeilijk. Kast – kasten. Stoel – stoelen. Bank – banken. Tafel – tafelen. Nee, dat moet tafels zijn. Tafelen is dan weer een werkwoord. Maar een foutje kan gebeuren, geen probleem.

Je zou denken dat als je overal maar een ‘s’ of ‘en’ achter plakt, dat je wel goed zit. Maar nee. Het Nederlands zou het Nederlands niet zijn als er nog een paar uitzonderingen op deze regel zijn. Een vriendin van mij, die als vrijwilligerswerk vluchtelingen hielp om onze taal te leren, vertelde een keer dat een vrouw heel trots zei dat ze ‘groenten en fruiten’ had gekocht.

  • Ja, heel goed. Alleen hoeft achter ‘fruit’ dan weer geen ‘en’. Het kan wel, maar dan hebben we te maken met een werkwoord.
  • Betekent dat dan je fruit aan het eten bent?
  • Nee, dat je een ui bakt.

Probeer dat maar eens fatsoenlijk uit te leggen…

  • Het woord ‘fruit’ is van zichzelf al meervoud, net als het woord ‘snoep’.
  • Is ‘snoepen’ dan ook een werkwoord?
  • Ja.
  • Betekent dat ook dat je iets aan het bakken bent?
  • Nee, gewoon, dat je snoep aan het eten bent.
  • Oké. Maar als snoep meervoud is, wat is dan het enkelvoud?
  • Snoepje.
  • Is het enkelvoud van fruit dan fruitje?
  • Nee, dat is fruitstuk.

Je zou denken dat het allemaal wel een tikje logischer kan. Dat leek mij vroeger ook al. Toen kwam ik thuis van de kinderboerderij en vertelde ik wat ik allemaal had gezien: Een koe, een schaap en een vark!

IMG_4756

Tweede blog- Zeg dan niks!

De uitspraak die er uiteindelijk toe heeft geleid dat ik een blog ben begonnen over taal, heb ik een aantal weken geleden gehoord. Ik zat met mijn vriend in de trein en zonder dat we het wilden zaten we volledig de gesprekken van onze buren in de coupé mee te luisteren. Onvoorstelbaar hoe hard sommige mensen kunnen tetteren, zonder dat ze daar zelf enig benul van hebben. Maar dat ter zijde.

Onze coupéburen hadden een gesprek over een persoon. Ik heb, ondanks dat ze zo hard praatten, niet meegekregen over wie het ging, maar dat maakt het verhaal in dit geval des te leuker. De mevrouw die over de persoon vertelde gaf namelijk naast de naam nog de aanvullende informatie: “die komt uit achttiennogwat of zo.” Ik heb daar hardop om gelachen (terwijl ik uit het raam keek, anders zou het opvallen). Wat een meesterlijke omschrijving: “achttiennogwat of zo.”

IMG_4553

In principe is “achttiennogwat” geen al te gekke formulering. Het geeft aan dat je wel weet uit welke eeuw iemand komt maar dat je niet precies weet uit welk jaar. Kan gebeuren. Maar die “of zo” erachteraan zorgt ervoor dat mevrouw eigenlijk aangeeft dat ze er qua eeuw wellicht ook nog iets naast zou kunnen zitten. De figuur waar ze het over hadden zou dus ook uit zeventiennogwat of negentiennogwat kunnen komen.

Ik heb dus niet gehoord om welk persoon het ging, maar op basis van deze adequate informatie kunnen we ons nu in elk geval beperken tot Casanova (geboren in 1725), Dries Roelvink (geboren in 1956) of iemand daartussenin 😊 Goeie toevoeging mevrouw! “Achttiennogwat of zo.” Zoals mijn vriend zegt, wanneer ik bij een pubquiz een antwoord geef dat niet helemaal klopt: “zeg dan niks!”

 

Eerste blog- Waarom taal?

Wie schrijft er nou een blog over taal? Dan moet je dat wel heel interessant vinden. Dat klopt! Ik vind taal bijzonder boeiend. Dit is deels ontstaan tijdens mijn studie Nederlands. In sommige colleges werden dingen verteld waar ik werkelijk nog nooit over na had gedacht, en die een wereld voor mij openden. De wereld van de taal.

Neem nou bijvoorbeeld het praten alleen al. De letters die wij in het Nederlands hebben en de klanken die wij uitbrengen. Ons alfabet bestaat uit 26 letters, maar alleen al voor de ‘e’ hebben we minimaal 3 verschillende klanken. Ooit over nagedacht? Hoe spreek jij bijvoorbeeld het woord ‘evenement’ uit? Waarschijnlijk als ‘éévunumènt’. Terwijl er toch echt maar een soort ‘e’ in het woord staat.

Minstens zo interessant vind ik het om erover na te denken hoe wij taal gebruiken. Hoe kan het dat wij elkaar soms niet begrijpen? Maar nog belangrijker: waarom begrijpen wij elkaar zo vaak wel? Dat ligt negen van de tien keer aan de context om de taal heen. Net zoals een letter meerder klanken kan hebben, kan een zin meerdere betekenissen hebben, die naar voren komen in de situatie waarin de zin wordt uitgesproken.

Neem bijvoorbeeld de zin “Ik heb hoofdpijn”. Wanneer je deze zin uitspreekt terwijl je tegenover de huisarts zit, wil je hiermee aangeven dat dit jouw klacht is en dat je hoopt dat de huisarts dit kan oplossen. Als je dezelfde zin “Ik heb hoofdpijn” uitspreekt wanneer je collega’s aan je vragen of je ’s avonds mee gaat naar de film bedoel je hiermee waarschijnlijk te zeggen dat je niet meegaat naar de film. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te bedenken waarin dezelfde zin steeds iets anders kan betekenen.

IMG_4433

Het is overigens niet mijn bedoeling om in elke blog te gaan uitleggen hoe taal werkt of wat ik allemaal geleerd heb tijdens mijn studie. Ik ben meer van plan om leuke of opvallende fenomenen te bespreken die ik tegenkom in het dagelijks leven. Zo hoorde ik onlangs op tv iemand zeggen: “Ik hou graag van de buitenlucht”. Fantastisch! Een onschuldige vermenging van “Ik hou van de buitenlucht” en “Ik kom graag in de buitenlucht”. Mevrouw kon misschien niet kiezen, of was simpelweg enorm enthousiast over de buitenlucht, dus maakte ze er maar een combinatie van. Heerlijk.

In de volgende blogs ga ik meer van dit soort voorbeelden bespreken. En dan ga ik het er niet over hebben of het goed of fout is, want hoe we praten is niet per se goed of fout. Behalve uitingen als “hun hebben” en “als mij”. Die zijn wel écht fout 😉

 

Nulste blog- Op zoek naar de leeuw

Ik heb nog geen blog over taal om te plaatsen. Toch zin om iets van mij te lezen? Dit is mijn reisblog.