Tiende blog – Klopt precies

Ik heb vanaf het begin gezegd dat ik ook een blog ging schrijven over het scriptieonderwerp van mijn eerste masterscriptie. Deze scriptie schreef ik voor de studie Nederlands en het onderwerp hoorde bij het vak gespreksanalyse. Het onderwerp had ik niet zelf bedacht, maar betrof een vraagstuk waar de professor van dat vak al tijden mee rondliep. Namelijk: wat is het verschil tussen de response tokens klopt en precies? Geef toe, dit vroeg jij je vast ook al enige tijd af. Dan heb je geluk! Ik heb een antwoord voor je. 

Allereerst even dit: een response token is een uiting waarmee je response kunt geven (goh). Het ging in mijn scriptie dus om het verschil tussen de uitingen klopt en precies die als response op iets volgen, en niet midden in een uiting voorkomen. Een vrij onbenullig onderwerp zul je misschien denken, maar er is toch een boekwerk van een pagina of vijftig uit voortgekomen.

Dat er een verschil zit in de twee response tokens kan het beste aangetoond worden aan de hand van voorbeelden:

  1. – Jij hebt toch een hond?
    – Ja, klopt
  1. – Jij hebt toch een hond?
    – Ja, precies
  1. – Een hond is leuk, maar ik denk dat ik veel blijer word van een kat.
    – Ja, precies
  1. – Een hond is leuk, maar ik denk dat ik veel blijer word van een kat.
    – Ja, klopt

Waarschijnlijk heb je voor jezelf al vastgesteld dat voorbeeld 2 en 4 opmerkelijk zijn en dan 1 en 3 niet raar zijn. Maar waarom? 

Het heeft te maken met de kennisdomeinen van de gesprekspartners en met de rechten op deze kennis. Wanneer er over een onderwerp gesproken wordt bestaan er drie scenario’s:

  1. Het onderwerp is bekend bij persoon A maar nieuw voor persoon B, bijvoorbeeld wanneer persoon A over zijn/haar vakantie vertelt aan persoon B.
  2. Het onderwerp is niet bekend bij persoon A maar wel bij persoon B, bijvoorbeeld wanneer persoon A aan persoon B vraagt of hij/zij gewonnen heeft met voetbal.
  3. Beide personen hebben kennis van het onderwerp. Bijvoorbeeld wanneer persoon A en B praten over honden en katten. (Ervan uitgaande dat beide personen wel eens van deze dieren gehoord hebben).

In het eerste scenario is het duidelijk te zeggen dat er gesproken wordt over een onderwerp dat in het kennisdomein van persoon A valt. Persoon A heeft in dit voorbeeld de ‘epistemic primacy’ wat inhoudt dat hij/zij een soort voorrang op deze kennis heeft: het meeste recht om iets te zeggen over het onderwerp. Datzelfde geldt voor het tweede voorbeeld, maar dan ligt het onderwerp in het kennisdomein van persoon B en heeft hij/zij de epistemic primacy. Voor het derde scenario wordt het iets ingewikkelder. In theorie is het zo dat wanneer twee personen een gesprek hebben over honden en persoon A heeft 2 jaar een hond en persoon B al 5 jaar, de kennisrechten bij persoon B liggen. Maar in de praktijk wordt er in een gesprek natuurlijk nooit eerst vastgesteld wie welke rechten op welk onderwerp heeft, dus dat moet blijken uit de uitingen die gedaan worden.

Wat er daarom in feite in elk gesprek gebeurt is dat er als het ware ‘onderhandeld’ wordt over de rechten om ergens iets over te zeggen. Niet letterlijk, maar dit komt naar voren in de formulering die iemand gebruikt. Wanneer iemand iets zegt op een manier waaruit blijkt dat hij of zij heel zeker is over het onderwerp waarover gepraat wordt, noemen we dat ook wel een uiting met een hoge ‘epistemic stance’. Hij of zij claimt hiermee als het ware het recht om iets te zeggen over het onderwerp. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een uiting als:

– Een hond moet elke dag eten.

Het kan ook zijn dat iemand een uiting doet met een lage epistemic stance. In dat geval claimt diegene niet het recht om iets te zeggen over een onderwerp, maar legt hij dat recht juist bij de gesprekspartner. Dat is in het volgende voorbeeld te zien:

– Een hond moet elke dag eten, toch?

Nu denk je waarschijnlijk: wat heeft dit dan allemaal te maken met klopt en precies? Nou, het zit zo: de response tokens klopt en precies dragen bij aan de onderhandelingen over de kennisrechten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin met de hoge epistemic stance. ‘Een hond moet elke dag eten.’ Door in deze uiting een zelfverzekerde formulering te gebruiken, laat de spreker blijken dat hij/zij kennis heeft over het onderwerp en daarmee claimt de spreker het recht om hier iets over te zeggen. De gesprekspartner kan hierop reageren met ‘ja, precies’. In dat geval laat hij/zij zien dat hij/zij de spreker begrijpt en het recht om iets over het onderwerp te zeggen blijft dan bij de eerste spreker. Als de gesprekspartner reageert op de uiting met ‘ ja, kopt’, laat hij/zij niet alleen zien dat de uiting begrepen wordt, maar hiermee wordt de uiting ook bevestigd. Met het bevestigen van de uiting laat iemand zien dat hij of zij meer kennis over het onderwerp heeft en wordt het recht om iets over het onderwerp te zeggen dan ook weer ‘teruggeclaimd’. 

Nog twee voorbeelden om dit te verduidelijken:

– Een kat kan wel een dagje zonder eten.
– Ja, precies.

– Een kat kan wel een dagje zonder eten.
– Ja, klopt. 

De uiting die gedaan wordt ‘een kat kan wel een dagje zonder eten’ heeft een hoge epistemic stance. (Met een lage epistemic stance zou het iets zijn als: ‘Een kat kan vast wel een dagje zonder eten, toch?’ of ‘Ik denk dat een kat misschien wel even een dagje zonder eten kan’) Wanneer er op gereageerd wordt met ‘ja, precies’ zoals in het eerste voorbeeld, blijft het recht om iets over dit onderwerp te zeggen bij de eerste spreker. Maar met de reactie ‘ja, klopt’ bevestigt de tweede spreker dat een kat wel een dagje zonder eten kan, waarmee hij/zij laat zien dat hij/zij meer kennis over het onderwerp heeft. Het recht om iets over het onderwerp te zeggen wordt dus eerst geclaimd door de eerste spreker, doordat hij/zij een uiting doet met een hoge epistemic stance. Maar met de reactie ‘ja, klopt’ pakt de tweede spreker dit recht als het ware weer af. 

De reden dat je bij de voorbeelden die ik in het begin heb gebruikt gevoelsmatig al het idee hebt dat bij de ene uiting klopt logischer is en bij de andere precies, is dat hier de rechten al wel vooraf bepaald zijn zonder dat er in het gesprek nog over onderhandeld hoeft te worden. Bij de vraag ‘jij hebt toch een hond?’ ligt het recht om iets te zeggen over dit onderwerp bij voorbaat al bij degene aan wie de vraag gesteld wordt. Die kan hier dus eigenlijk alleen maar op reageren met een bevestiging ‘ja, klopt’. Of een ontkenning natuurlijk ‘nee, hoe kom je daar nou bij’. De reactie ‘ja, precies’ waarmee je aantoont dat je de uiting begrijpt is hierbij niet gepast. 

Bij de andere uiting ‘Een hond is leuk, maar ik denk dat ik veel blijer word van een kat’ is het precies (haha) andersom. Hierin presenteert de spreker zijn uiting als een mening (door ‘ik denk’) en gaat het ook nog eens over zijn/haar eigen gevoel (door ‘dat ik veel blijer word’). Het recht om hier iets over te zeggen ligt daarom ook automatisch bij de eerste spreker. De tweede spreker kan hier daarom alleen op reageren met ‘ja, precies’ om aan te geven dat hij/zij dat begrijpt. De reactie ‘ja, klopt’ zou hier ongepast zijn want dan zou de tweede spreker laten zien dat hij/zij meer kennis over dit onderwerp heeft wat in dit geval niet mogelijk is. 

Toch heb je ze wel. De mensen die op jouw mening reageren met een bevestigende ‘ja, klopt’. Wanneer je bijvoorbeeld zegt ‘ik vond Kaapstad echt een prachtige stad’ en iemand reageert met ‘ja, klopt’. Dan weet je dat diegene erg graag wil laten blijken dat hij/zij ook in Kaapstad is geweest en dat hij/zij vindt dat hij/zij het recht heeft om iets te zeggen over dit onderwerp. Dat soort mensen kun je dan maar beter gewoon hun gang laten gaan. 

*Reageren mag altijd! En als je meer over dit onderwerp wil weten en mijn scriptie wil lezen, dan hoor ik het graag!