Zesde blog- Sturen met vragen

Wat ik in gespreksanalysecolleges een fascinerend onderwerp vond was ‘vragen’. Op welke manieren kun je vragen stellen, welke antwoorden kun je dan verwachten en vooral: met welke vraag krijg je het antwoord dat je graag wil horen. In colleges hebben we dit aspect vooral besproken aan de hand van gesprekken uit de medische sector. En omdat mijn vriend, Gijsbert, als fysiotherapeut ook regelmatig thuiskomt met interessante verhalen over gesprekken met patiënten, ga ik nu ook in op ‘vragen in de medische sector’.

Er zijn verschillende soorten vragen. Je hebt bijvoorbeeld interrogatieve vragen (Doet dit pijn?), declaratieve vragen (Dit doet pijn?), vraagwoordvragen (Waar doet het pijn?), tag-questions (Hier doet het pijn, toch?) en alternatieve vragen (Zit de pijn links of rechts?). In de medische sector is het natuurlijk van groot belang dat een patiënt alle relevante informatie geeft die een arts/fysiotherapeut nodig heeft om een diagnose te kunnen stellen. Het stellen van de juiste vragen heeft hier een enorm grote invloed op.

Uit conversatieanalytisch onderzoek is gebleken dat er in arts-patiënt gesprekken vaker gesloten vragen (interrogatief of declaratief) gesteld werden dan open vragen (vraagwoordvragen). Hierbij werd gezegd dat dit de patiënt zou belemmeren in het presenteren van hun klacht. Maar in de praktijk blijkt dat patiënten op gesloten vragen toch regelmatig een “open antwoord” geven. Na een vraag als Heeft u alleen last van de knie? is de kans klein dat er alleen een Nee als antwoord volgt. Tenzij je een erg stugge patiënt tegenover je hebt. Het is gebruikelijker dat een patiënt hierop antwoord met Nee, ook van m’n heup, omdat de patiënt nou eenmaal weet dat dit relevante informatie is voor de arts. Wanneer de patiënt wel alleen last heeft van zijn of haar knie is alleen een Ja als antwoord voldoende.

Een reden waarom het misschien toch beter zou zijn om open vragen (vraagwoordvragen) te stellen, is omdat er met  het stellen van een interrogatieve of declaratieve vraag de kans bestaat dat je de patiënt al richting een antwoord stuurt.

*Denk bijvoorbeeld aan wanneer je een vriend of vriendin vraagt: ‘heb jij ook zo weinig zin om te werken maandag?’ Dan hoop je toch van harte dat die ander hier met ‘ja’ op antwoord, anders ben jij meteen weer de ondankbare zeikstraal met de vervelende baan.

Bij zo’n vraag die een bepaald antwoord als voorkeur heeft, heet het antwoord ook wel het geprefereerde antwoord. Bij de vraag De knie is niet dik? is het geprefereerde antwoord Nee en bij de vraag U kunt wel gewoon lopen? is het geprefereerde antwoord Ja. Door de vraag op een bepaalde manier te formuleren laat je zien wat je verwacht terug te krijgen.

*Het betekent niet dat het geprefereerde antwoord ook het leukste antwoord is voor de ander. Denk aan de “vraag” ‘Jullie hebben zeker geen bestek’. Hier laat de spreker zien dat hij een ‘Nee’ verwacht – het geprefereerde antwoord. Maar ondertussen hoopt diegene vermoedelijk toch wel degelijk op een ‘Ja’.

Met dit soort vragen is het verstandig om een beetje voorzichtig te zijn, want mensen zijn al gauw geneigd om te zeggen wat de ander wil horen. Zeker als die ander een medische expert is en jij van diegene een oplossing voor jouw klacht hoopt te krijgen. Gijsbert heeft ook wel eens gezegd dat als je wil, je een patiënt met bepaalde vragen precies een bepaalde diagnose of klacht in de mond kan leggen. Niet goed om een accuraat beeld van de klacht te krijgen. Wel handig voor als je zin hebt om naar huis te gaan.

ftzs